Directeur Eric Nysmans van Welzijnszorg Kempen: ‘We organiseren onze eigen eenzaamheid’

0
27

Als elfjarige hield Eric Nysmans  een trauma over aan een documentaire over het rapport van de Club van Rome. Het gaf hem de inspiratie om zorgvuldig met de wereld en de mensen om te gaan. Vandaag is hij directeur van Welzijnszorg Kempen, een unieke samenwerking van 27 OCMW’s.  Zijn credo: ‘Als je volwaardig en menswaardig wil deelnemen aan onze samenleving zijn twee elementen heel belangrijk: gezondheid en autonomie. Het gaat over: kun je voldoende je eigen levensproject mee vormgeven?’ En: ‘Ik probeer mij in te zetten, niet vanuit een flauw empathisch invoelen, maar vanuit die kleine goedheid waarover de joodse filosoof Emmanuel Levinas spreekt.’ 
 

Wat wilde u als kind worden en wat is ervan terecht gekomen?

Als kind droomde ik ervan om bioloog te worden. Ik was ongelooflijk gefascineerd door het leven van dieren. Met de verrekijker in de hand ging ik op uitkijk naar vogels. Ik verslond boeken over dieren in het wild. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig waren er heel veel natuurdocumentaires op tv. Die schoonheid van het dierenrijk fascineerde mij heel erg. Daar kwam op een vrij abrupte manier een einde aan. Als ik daar nu op terugkijk, wordt het me ook heel duidelijk hoe dat kwam.

Die documentaire zien was eigenlijk een traumatische ervaring: er werd visueel getoond dat het leven op onze planeet in het jaar 2030 onmogelijk zou zijn.

Het was eind 1973. Op de toenmalige BRT werd een documentaire over het milieu getoond die ik zeker wilde zien. Ze ging over het Rapport van de Club van Rome, waarin de staat van onze planeet werd uitgelicht. Wat een impact heeft die ene documentaire op mij gehad! Ik keek ernaar als elfjarige, helemaal alleen, laat op de avond. Het was eigenlijk een traumatische ervaring: er werd op een bijzonder visuele manier getoond dat het leven op onze planeet in het jaar 2030 onmogelijk zou zijn. Dat was het gevolg van een drietal zeer aannemelijke redenen: de overbevolking, de uitputting van de grondstoffen en de milieuvervuiling. Intussen heeft dat rapport veel kritiek gekregen en werd het ook bijgesteld. Maar kun je je voorstellen hoe dat was voor een elfjarig nieuwsgierig jongetje? Ik weet nog zeer goed wat ik toen dacht: Ik ben geboren in 1962, als het leven stopt in 2030, dan word ik maar maximaal 68 jaar oud! Dat is niet lang. Is het dan nog wel verantwoord om kinderen op de wereld te zetten? Denken aan mijn toekomst behoorde voortaan tot het verleden. Hoe dan ook, die documentaire was voor mij een zeer aangrijpende en indringende ervaring die mijn leven zonder twijfel mee vorm heeft gegeven. Hier ontstond ook mijn besef dat we zorgvuldiger met alle dingen moesten omgaan. Omgekeerd is met die ervaring ook mijn romantisch beeld van de wilde en onuitputtelijke natuur in gruzelementen gevallen. De natuur werd bedreigd, ik werd beroofd van mijn naïviteit, we moesten er iets aan doen. Maar wat? Soms bekruipt me nog die verlammende negativiteit. Kunnen we nog wel iets doen? Toch blijf ik doorgaans optimistisch. Ik blijf geloven in de mogelijkheden tot verandering en omkering. Maar er is wel werk aan de winkel, dat is een blijvende oproep tot actie.
 

Was zingeving ook al een vraag voor u als kind?

De natuur als zingever ruilde ik in voor meer spirituele zaken, weliswaar nog op een eerder jeugdig niveau. Zingevingsvragen hebben mij altijd al bezig gehouden, soms op een eerder bijzondere wijze. Als jonge tiener moesten we op school regelmatig een opstel schrijven of een spreekbeurt geven. Eén van mijn favoriete thema’s was bewustzijnsverruimende middelen. In die tijd en op die leeftijd zeker geen voor de hand liggend thema! Het toont wel hoe ik al vroeg bezig was met spiritualiteit en mystiek in een omgeving waar daarover niet veel gesproken werd.

Eric Nysmans: ‘Als jonge tiener moesten we op school regelmatig een opstel schrijven of spreekbeurt geven. Eén van mijn favoriete thema’s was bewustzijnsverruimende middelen.’ © Gerry Shaw in Wikimedia

Merkwaardig ook dat ik via die weg in het welzijnsveld terecht ben gekomen. Is dat toeval? Ik kreeg na mijn legerdienst de mogelijkheid om bij het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg preventiewerker voor alcohol en drugs te worden. Als er nu iets is dat te maken heeft met verkeerde invulling van zingevingsvragen is het toch wel dat! Begin jaren negentig waren we pioniers in het preventiewerk. Al mijn collega’s waren  pedagogen, psychologen en criminologen. Ik was de vreemde eend in de bijt en heb enorm veel van hen geleerd. Tegelijk kon ikzelf als niet-psycholoog ook hen bevruchten vanuit inzichten van geschiedenis, godsdienst, filosofie, zingeving en spiritualiteit. Die wisselwerking en complementariteit waren boeiend en enorm verrijkend.
 

En nu bent u directeur van Welzijnszorg Kempen. Hoe ervaart u dat?

Uit mijn vroegere periode heb ik geleerd dat ik een goede netwerker ben. Ik kan me gemakkelijk in zeer veel verschillende werelden begeven en weet aanwezig te zijn op een voldoende operationeel niveau. Van daaruit kan ik mee vorm geven aan een strategisch welzijnsbeleid voor de regio en tegelijk ook nog concreet werken. Met Welzijnszorg Kempen, de OCMW-vereniging waarvan ik sinds 2005 directeur ben, zijn we vrij uniek met die samenwerking van 27 OCMW’s. Vanuit onze organisatie participeren we in allerlei welzijns- en gezondheidssectoren. Ons model inspireert steeds meer andere regio’s tot eigen navolging. Ik vind het niet eenvoudig en vanzelfsprekend als opdracht en behoorlijk stresserend omdat er zoveel invloeden tegelijk bij komen kijken.

Ik voelde mij als in een flipperkast: je wordt met veel lawaai als een balletje heen en weer geslingerd.

Ook op politiek vlak is het een balanceren tussen belangen. Uiteraard kom je dan al eens in de wind te staan, ook dat moet je leren. Ik voelde mij in het begin – en nu soms nog – als in een flipperkast: je wordt met veel lawaai als een balletje heen en weer geslingerd. Je kunt die bewegingen wel een beetje controleren en manipuleren, maar als je niet oppast, sla je tilt. Daar moet ik mezelf soms tegen beschermen door opnieuw wat afstand te nemen. Het lukt me wel, maar toch. Ongelooflijk hoeveel veranderingen er tegelijk op ons afkomen! Dat is niet alleen op religieus gebied het geval, maar zeker ook op sociaal-economisch vlak en in de manier hoe mensen leven. Kijk ook hoe de federale en de Vlaamse regering alles rond welzijn en zorg op een werf gezet heeft. Er zijn zoveel veranderingen gelijktijdig aan de gang dat het niet altijd meer hanteerbaar is. Zo zet bijvoorbeeld de integratie van de OCMW’s in gemeenten het lokale armoedebeleid onder zware druk. Het is zeer onduidelijk waar dat gaat eindigen.
 

Welke waarden vindt u belangrijk in uw job?

Je kunt vanuit een bepaalde positie, of je nu directeur bent van een welzijnsorganisatie of minister van welzijn en volksgezondheid bent, de keuze maken of je invloed of macht wilt uitoefenen. Ik ben iemand die graag invloed heeft, macht streef ik niet direct na. Dat is een heel groot verschil. Macht betekent dat je kunt zeggen: Ik bepaal wat moet gebeuren. Invloed heeft als fundamentele insteek dat je zoekt naar gedragenheid en mensen die willen meegaan. Die aanpak werkt trager.

Invloed heeft als fundamentele insteek dat je zoekt naar gedragenheid en mensen die willen meegaan.

Invloed nastreven heeft ook nadelen: je kunt niet anders dan rekening houden met de particuliere belangen van bepaalde mensen die daarom niet stroken met het algemene belang. Als je macht nastreeft, kun je daar anders mee omgaan. Toch ben ik ervan overtuigd dat kiezen voor invloed boven macht de enige manier is om dit werk lange tijd vol te houden.
 

Bezig zijn met welzijnszorg betekent in contact komen met armoede. Hoe kijkt u naar de ongelijkheid in onze samenleving?

In België valt de inkomensongelijkheid nogal mee, we zijn bij de besten van de klas. Het netto-inkomen van de 20% rijkste Belgen is vier maal groter dan dat van de 20% armste. Het blijft natuurlijk factor vier. Er woedt volop een discussie of die ongelijkheid nu aan het stijgen is of eerder gelijk blijft. In de Kempen zien we alvast een enorme stijging van het aantal leefloontrekkers.

Eric Nysmans: ‘Er woedt volop een discussie of de ongelijkheid aan het stijgen is of gelijk blijft.’ © Johan Van der Vloet 

Tussen 2008 en midden 2016 is dat aantal toegenomen met 48 %, in gans Vlaanderen met 19%. Voor een samenwonende bedraagt het leefloon 595 euro, voor een alleenstaande 892 euro – stel je voor, daar moet je alles mee doen! – en voor een gezin 1190 euro. Als we spreken over medio 2016 betekent dat dat de toestroom van de vluchtelingen er nog niet bij gerekend is. We verwachten daarom een forse bijkomende stijging. Deze toename zet een serieuze druk op de sociale diensten en op de budgetten van de OCMW’s. Het zijn niet alleen de leefloontrekkers, ook andere groepen, zij die leven van een vervangingsinkomen of werken tegen het minimumloon, hebben duidelijk nog een te beperkt budget. We werken vaak samen met Berenice Storms, een prachtige onderzoekster bij Cebud. Haar doctoraat handelde over minimumbudgetten, of in haar terminologie: referentiebudgetten. Zij onderzocht wat mensen nodig hebben om volwaardig te kunnen participeren aan de samenleving. Dan gaat het niet alleen over het al dan niet voldoende financiële middelen hebben. Dat is namelijk een relatief gegeven, zeker in onze maatschappelijk context.

Als je volwaardig en menswaardig wil deelnemen aan onze samenleving zijn twee elementen heel belangrijk: gezondheid en autonomie.

Hier gaat inderdaad niemand dood van de honger. Als je volwaardig en menswaardig wil deelnemen aan onze samenleving zijn twee elementen heel belangrijk: gezondheid en autonomie. Dat is meer dan louter de afwezigheid van ziekte of handicap. Het gaat over: kun je voldoende je eigen levensprojectje mee vormgeven, bijvoorbeeld in je vrije tijd? Minstens één op zeven gezinnen leven in België in een kansarme situatie. Dat is veel.
 

Wat doen jullie daaraan vanuit Welzijnszorg Kempen?

Welzijnszorg Kempen participeert in een drietal sociale verhuurkantoren en in één sociale huisvestingsmaatschappij. Het aanbod sociale huurwoningen is veel te beperkt op dit moment, ook hier zijn de wachtlijsten enorm. Goede en betaalbare huisvesting is één van de grootste maatschappelijke uitdagingen als je ziet hoe hoog en dus onbetaalbaar de prijzen zijn. Een woning verwerven via een sociale verhuurkantoor of huisvestingsmaatschappij noem ik daarom ook het gelukslot dat een kansarme kan winnen. Een degelijke woning tegen een redelijke kost maakt voor velen het wezenlijke verschil tussen een goed of een moeilijk leven.
 

In een interview met MagaZijn zegt Ive Marx, hoogleraar in sociaaleconomische wetenschappen van de Universiteit Antwerpen, dat we de uitkeringen moeten verhogen en bij de middenklasse bijkomende zaken die ze toch niet echt nodig hebben, moeten schrappen. Wat denkt u daarvan?

Ik ga daar niet mee akkoord. Kansarmen hebben recht op meer gerichte beleidsaandacht. Zij moeten meer krijgen dan de anderen. Maar als we de rijkeren uitsluiten van de solidariteit, lopen we met z’n allen – ook de armeren – risico’s. Ik vind dat iedereen, wanneer nodig, moet kunnen genieten van de solidariteit, zolang ze tot diezelfde solidariteit hebben bijgedragen. Kijk naar Amerika en zie wat er gebeurt als we dat niet doen! Daar maak ik me ongelooflijk veel zorgen over.

Als we de rijkeren uitsluiten van de solidariteit, lopen we met z’n allen – ook de armeren – risico’s.

Neem bijvoorbeeld de hospitalisatieverzekering. Ik ben een radicale voorstander van een veralgemeende toepassing hiervan. Als we dat niet doen, lopen we het risico om een tweesporenbeleid in de gezondheidszorg te ontwikkelen: mensen die wel een hospitalisatieverzekering hebben en mensen die dat niet hebben. Als de betere middenklasse en de rijken niet meer kunnen genieten van de sociale zekerheid, gaan ze zich op een gegeven moment afvragen waarom ze nog moeten participeren aan die solidariteit. Dan zullen ze zich terugtrekken – dat zien we nu al gebeuren – en alternatieve circuits voor zichzelf organiseren. Daardoor zal de ongelijkheid nog toenemen. Dan gaat de overheid alleen nog maar met de armen bezig zijn. Daarom pleit ik ervoor dat iedereen kinderbijslag krijgt, ook al vind ik – opnieuw – dat kansarmen meer moeten krijgen. Ook de betere middenklasse moet centen krijgen die bestemd zijn voor de kinderen. Zo maken we voor iedereen duidelijk dat het belangrijk is om in kinderen te investeren.
 

De middelen zijn toch beperkt. Wat zijn prioriteiten? Waaraan wil een maatschappij geld besteden?

De Britse sociaal epidemioloog Richard Wilkinson schreef samen met zijn echtgenote Kate Pickett een prachtig boekje: The Spirit level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better. Ze leggen daarin uit waarom gelijkheid belangrijk is voor iedereen. Hoe groter de inkomensongelijkheid, hoe lager de gezondheid, het geluksgevoel en het algemeen welzijn van iedereen. Ongelijkheid bedreigt ons allemaal, niet alleen de armen, ook de rijken. Er is namelijk meer criminaliteit, er zijn meer inbraken, meer zelfdodingen, meer tienerzwangerschappen.

Hoe groter de inkomensongelijkheid, hoe lager de gezondheid, het geluksgevoel en het algemeen welzijn van iedereen.

Die ongewenste zaken zie je toenemen in landen waar de ongelijkheid groter wordt. Wat moeten we dan doen? Die structurele ongelijkheid die er nu nog altijd is, vooral niet groter laten worden! Inkomensongelijkheid wordt het best en goedkoopst aangepakt als je de laagste lonen een beetje optrekt. Dat is meer effectief dan een taks voor de rijken of vermogenswinstbelasting.
 

U hebt duidelijk een grote interesse in psychiatrische hulpverlening, in religie, geschiedenis, filosofie en spiritualiteit. Vanwaar die interesse?

Eén van de mooiste omschrijvingen over het belang van psychiatrie komt van Yukio Mishima. Dat is een Japanse schrijver van na de Tweede Wereldoorlog. In 1968 heeft hij Lentesneeuw geschreven. Dat is een prachtige roman. Hierin verwoordt hij op een sublieme manier vanwaar mijn interesse voor psychologie komt. Omwille van zijn slechte gezondheid mocht hij niet meedoen aan de oorlog. Hij kreeg een adellijke opvoeding van zijn moeder en grootmoeder. Volgens hem zijn de grote oorlogen voorbij en hebben we nu te maken met een nieuwe soort oorlogen, namelijk de oorlogen van het gevoel. Ook hier vallen slachtoffers.

De oorlogen in onze maatschappij zijn die van de geest.

Dat vind ik een mooi beeld: de oorlogen in onze maatschappij zijn die van de geest. Er is niet veel extern geweld meer. We hebben moord- en gewelddelicten meer onder controle dan vroeger. Tegelijk is er heel veel interne en relationele agressie. Dat zijn die nieuwe oorlogen. En die hebben alles te maken met psychologie en psychiatrie.
 

Hoe kunnen we die oorlogen van de geest een halt toeroepen?

Een van de zaken die mij nu bezighouden, is hoe we het taboe rond alles wat met de ziekten van de geest te maken heeft, kunnen openbreken. Ik maak het nu ook heel persoonlijk mee. Mijn moeder is opgenomen in het OPZ op de afdeling van de ouderen. Voor mijn vader die nu 82 jaar is, was dat heel confronterend. Mijn moeder krijgt een zeer goede behandeling en mijn vader is heel tevreden over de opvang en de begeleiding. Hij heeft ook al een aantal zeer goede gesprekken gehad met de behandelende psychiater, de psychologe en de verpleegkundigen. Hoe ga je om met iemand die zo’n aandoening heeft? Hoe erken en aanvaard je dat? Dat vroeg mijn vader zich af. Die confrontatie was voor hem, als man uit een vroegere generatie, helemaal niet makkelijk.

Eric Nysmans: ‘Een psychiatrisch ziekenhuis is ook maar een gewoon ziekenhuis.’ © Omgeving cvba: OPZ Geel

Hij vertelde me op een avond: In het begin heb ik de opname in de psychiatrie van mijn vrouw heel negatief beleefd, maar uiteindelijk is het ook maar een gewoon ziekenhuis. Dat vond ik zo mooi. Door die aanvaarding zag je ook dat een last van hem wegviel. In België maakt 27 % van de mensen wel eens een zwaar of fundamenteel geestesvraagstuk mee. Bij een aantal is dat zo ernstig dat een behandeling zich aandient. Het is meer aanwezig dan we soms durven denken. We zijn als Welzijnszorg Kempen ook partner bij het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg Kempen. De wachtlijst voor jongeren is daar zeer lang.
 

Hoe komt dat? Zijn er nu meer mensen met problemen?

Ja, dat denk ik wel. Ik heb er geen wetenschappelijke verklaring voor, maar ik kan wel een aantal zaken benoemen. Als keerzijdes van eenzelfde medaille is er enerzijds de onmogelijkheid die vele jongeren ervaren om met de gewone dingen van het leven om te gaan. Anderzijds wordt het leven verschrikkelijk complex, met een ingewikkeldheid die alleen maar toeneemt.

Vandaag wordt zelfs het kopen van het dagelijks brood een complex verhaal.

Mag ik hierover even een persoonlijke getuigenis brengen? Ik moest als kind 2 km fietsen om een brood te gaan kopen. Ik had de keuze tussen een wit en een bruin brood. Op zondag, als je meer tijd had, was er ook melkbrood, krentenbrood en eventueel een pistolet in de aanbieding. Maar dat was dus enkel op zondag. Vandaag wordt zelfs het kopen van het dagelijks brood een complex verhaal. Ten eerste is 2 km fietsen om naar de bakker te  gaan te riskant geworden. Dat doen we toch niet meer? En als je uiteindelijk bij de bakker aanbelandt, kun je kiezen tussen 25 soorten brood. De keuzestress is enorm groot. Daarom kies ik tegenwoordig altijd hetzelfde brood. Maar de ellende begint opnieuw als het uitverkocht is. Dan moet je weer een nieuwe keuze maken over je dagelijks brood. Hoeveel tv-zenders zijn er op dit ogenblik? Ik ben de tel kwijt.

Waar kunnen kinderen van vandaag hun overtollige energie nog kwijt?

Een ander voorbeeld, kinderen die vroeger wat hyperactief waren – bijvoorbeeld de Witte van Zichem, een adhd’er avant la lettre – konden ravotten in de bossen en de beken. Waar kunnen kinderen van vandaag hun overtollige energie nog kwijt? Het is waarschijnlijk niet politiek correct wat ik nu net als voorbeeld aangehaald heb. Dat is nog het ergste, want dat niét zo benoemen is toch de miskenning van wat er aan de hand is?
 

Wat moet er volgens u gebeuren in de hulpverlening?

Ik spreek nu eerst even als historicus. Eén van de mooie zaken in Geel is de gezinsverpleging. Die kennen we hier al sinds de volle middeleeuwen. Vanaf de elfde, twaalfde eeuw nam de aanbidding van de Heilige Dymphna, een heilige uit de zesde eeuw, sterk toe. Mensen kwamen van heinde en verre in de kerk, waar de relieken van de heilige bewaard werden, de noveen bidden om te genezen van ‘krankheid’. Die aanbidding duurde negen dagen. Ze verbleven eerst in de kerk. Daarvan getuigen de huisjes die gebouwd werden tegen het kerkgebouw aan. Door de toevloed bij gastgezinnen in de buurt van de kerk werden die uiteindelijk verspreid over gans Geel. Geel werd een barmhartige stede die vele zieken opving.

De vanzelfsprekende aanwezigheid van de zogenaamde ‘zottekes van Geel’ speelt zeker en vast ook mee in mijn interesse voor de psychiatrie.

Je zou kunnen spreken van een soort vermaatschappelijking van de zorg avant la lettre. Een prachtig model! Het werd intussen wereldwijd bestudeerd en ook nagevolgd. Mijn grootvader was van Geel, ook bij zijn ouders werden enkele gasten van de Kolonie opgevangen. Dat systeem en de vanzelfsprekende aanwezigheid van de zogenaamde ‘zottekes van Geel’ speelt zeker en vast ook mee in mijn interesse voor de psychiatrie. Van heinde en verre kwamen mensen hier terecht en werden ze hier opgevangen. Tot het begin van de negentiende eeuw was er elders in onze regio of in Europa niet veel aandacht voor geesteszieken. Zij werden ofwel uitgestoten, ofwel opgesloten. Midden negentiende eeuw begonnen een aantal religieuze congregaties – onder andere de Broeders van Liefde – met asielen. Daar kregen de mensen een bed, een bad en een brood. Dat is trouwens nog steeds een van de methodieken bij de daklozenopvang. Midden negentiende eeuw kwam er ook hier in Geel een psychiatrisch ziekenhuis onder invloed van de medische wetenschap en de farmacologie. Vergeet niet dat Freud zijn psychoanalyse pas een halve eeuw later heeft ontwikkeld! Zijn eerste boek, Die Traumdeutung, schreef hij pas in 1899.
 

Wat leert u daaruit?

Dat de laatste dertig jaar de psychiatrie opnieuw in transitie is. Sommige mensen hebben daar een negatief beeld over, maar dat vind ik echt niet correct. Ik wil niet beweren dat er geen mistoestanden aanwezig kunnen zijn of dat het niet beter kan. De psychiatrie zit nog altijd in die overgangsfase. Men is al een tijdje bezig met de afbouw van het aantal bedden en met de vermaatschappelijking van de zorg. Vandaar de keuze voor meer mobiele en ambulante teams. Of om het wat eufemistisch uit te drukken: het Geelse model in een nieuw kleedje.
 

Hoe ziet dat nieuw kleedje er dan uit?

In de Kempen ontstonden bijvoorbeeld nieuwe zorgvormen zoals beschut wonen of woonzorgcentra voor mensen met een gestabiliseerde psychiatrische problematiek. Zo mocht ik mee aan de wieg staan van Ter Kempen vzw, een woonzorgcentrum gespecialiseerd in de opvang van dergelijke ouderen. Ook de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg werden in de jaren zeventig opgestart.

Het is toch vreemd: als je naar de kinesist gaat voor een mechanisch defect word je terugbetaald, voor een psychologisch consult nog niet.

Het is toch vreemd: als je naar de kinesist gaat voor een mechanisch defect word je terugbetaald, voor een psychologisch consult nog niet. Dat klopt toch niet! In het zomerakkoord, dat onze federale regering in juli sloot, staat nu dat er toch terugbetaling komt van een psychologisch consult. In deze financieel barre tijden is dat eerder een verrassende, maar zeer goede zaak. Het voorziene budget is nog beperkt, maar het is en blijft een sterk signaal. Het mag ons echter niet blind maken. Voor deze doelgroep moet zeker ook bijkomend geïnvesteerd worden, bijvoorbeeld in sociale huisvesting en in een zinvolle dagbesteding. Doorheen de geschiedenis zien we een andere zeer grote onrechtvaardigheid ontstaan: de ongelijke verdeling van het aantal psychiatrische bedden. Hier in de Kempen hebben we veel minder capaciteit dan in andere regio’s in Vlaanderen. In Gent bijvoorbeeld, waar de Broeders van Liefde veel actiever waren en zijn, hebben ze er veel meer. Dat is niet hun schuld, maar het is wel een feit.
 

Wat zijn uw belangrijkste realisaties?

Heel zeker vzw Ter Kempen, het woonzorgcentrum dat zich nog steeds richt op ouderen met een gestabiliseerde psychiatrische problematiek. Ik hoop dat ik door de wijze waarop ik omga met de dingen, enkele mensen kan inspireren, zowel persoonlijk als professioneel. Dat klinkt waarschijnlijk cliché, niet? Toen ik voorzitter van het OCMW van Laakdal was, hadden we een dagcentrum voor mensen met een handicap. Er was al zeventien jaar vraag naar een tehuis voor niet-werkenden. De gasten die we opvingen in het dagcentrum werden ouder, net als hun ouders. Die waren bezorgd om wat er later zou gebeuren met hun kind. Met enig lef zijn we erin geslaagd om samen met het OCMW van Geel – eerst in Laakdal en daarna in Geel – zo’n tehuis voor niet-werkenden op te richten. Dat was in 2003-2004. In zo’n huis kunnen mensen met een handicap permanent verblijven.

Toen ik de ouders uitnodigde om hen te vertellen wat we van plan waren en dat hun kinderen daar konden verblijven, zag ik de blik en de tinteling in hun ogen.

In Laakdal kochten we een oude dokterswoning, die omgebouwd en aangepast werd. Die woning ligt midden in het centrum en is een zeer degelijke, grote en mooie villa. Toen ik de ouders uitnodigde om hen te vertellen wat we van plan waren en dat hun kinderen daar konden verblijven, zag ik de blik en de tinteling in hun ogen. Die beelden zal ik nooit vergeten. Nooit heb ik méér kunnen ervaren hoe je voor heel concrete mensen iets zo wezenlijks kunt realiseren en op zo’n fundamentele manier betekenis kunt creëren. Dat project kreeg een gezicht. Soms zijn we daar te weinig gevoelig voor.
 

Is dat uw Leitmotiv: iets doen voor concrete mensen?

Ik probeer mij in te zetten, niet vanuit een flauw empathisch invoelen, maar vanuit die kleine goedheid waarover de joodse filosoof Emmanuel Levinas spreekt. In feite moet je het daarvoor doen, voor die blik van die mensen. Ik stel mij die vraag dikwijls: wie wordt hier beter van? Kan ik met wat ik doe die vertaalslag naar concrete mensen maken? Dat lukt niet altijd, maar je moet wel alert zijn dat je die vraag blijft stellen. Als je ervan overtuigd bent dat mensen beter zullen worden van wat je van plan bent, moet je het ook doen.

 Ik stel mij die vraag dikwijls: wie wordt hier beter van?

Waar ik ook wel fier op ben, zijn de Cado’s, een kleinschalige vorm van collectieve autonome dagopvang. Intussen zijn er in Vlaanderen 150 opgericht. Familiehulp heeft dat Noah’s genoemd. Dat staat voor nabijheid, ontmoeting, aandacht en huiselijkheid. Hetzelfde concept dus, maar met een andere naam. Samen met andere mensen hebben we gezegd: tussen thuiszorg en een rusthuis of woonzorgcentrum is er nog iets anders nodig. Mensen die thuis worden opgevangen, moeten ook af en toe eens collectief kunnen samenkomen, terwijl tegelijk de mantelzorgers en vrijwilligers ontlast worden. Het was moeilijk om dat te organiseren binnen de bestaande regelgeving. Die moest ook aangepast worden. Dankzij de onverdroten inzet van een aantal mensen – mijn speciale dank gaat onder meer uit naar Tinne Rombouts – is dat uiteindelijk ook gelukt. En dat is mooi.
 

Wie inspireert u om te doen wat u doet?

Mijn inspiratiebronnen vind ik in de eerste plaats in de literatuur. Daar haal ik ongelooflijk veel energie uit. Ik noemde Mishima al. De voorbije jaren was Michel Houllebecq mij enorm behulpzaam bij mijn maatschappelijke analyses. Houllebecq is negatief, hij maakte me op een sublieme manier alert voor de uitwassen van onze neoliberale consumptiemaatschappij. In zijn werken zijn de mensen atomair, geïsoleerd, koud en particulier.

Eric Nysmans: ‘Houllebecq is negatief, hij maakte me op een sublieme manier alert voor de uitwassen van onze neoliberale consumptiemaatschappij.’ © sfgate.com 

Is dat de samenleving die we willen nalaten of creëren? Hiervoor moeten we oppassen, dat wil ik niet. Houllebecq is ongelooflijk visionair. Hij kan als geen ander onze huidige samenleving beschrijven, op een zeer gevatte en extreme manier, maar het klopt wel wat hij schrijft. Evenzeer inspirerend vind ik Herman De Dijn. In verband met zingeving zegt hij bijvoorbeeld dat iedereen op zoek is naar erkenning van andere mensen en betekenisvol wil zijn voor andere mensen. Dit vind ik een ongelooflijke concretisatie van het aspect zingeving. Hiermee kun je aan de slag in je eigen leven, maar ook in relatie tot andere mensen en in je werk. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum vind ik een ongelooflijk inspirerend dagboek. Etty staat voor mij model voor alle inspirerende figuren. Ik kijk echt uit naar ontmoetingen met mensen die mij inspireren in wat zij doen en in hoe zij dat doen. Ik vind mooi om te zien hoe zij leven en ik wil hen navolgen. Wat mij ook drijft, is mijn geloof.
 

Hoe zou u dat omschrijven?

Ik verbleef deze zomer bij de trappistinnen van Brecht, tijdens een stilteweek. Het is niet alleen voor de rust en de ontspanning dat ik dit regelmatig hier of elders in een abdij doe. Het is mijn manier om mijn verbondenheid met mijn persoonlijke God te onderhouden.

Het gaat voor mij om verinnerlijking en liefdevolle gedragenheid, een relatie die kracht geeft en inspireert.

Mijn geloof heeft weinig te maken met het morele denkkader van goed en kwaad, het gaat voor mij om verinnerlijking en liefdevolle gedragenheid, een relatie die kracht geeft en inspireert. Ik voel me verbonden en gedragen.
 

Dat zullen veel mensen niet meer begrijpen …

Ik weet het, ik ervaar nog steeds enige schroom om hierover te spreken. Recent vroeg een goede vriend me wat ik ging zoeken in een abdij en wat die ervaring voor mij betekent. Hij snapte echt niet waarover ik het had en kon er zich niets bij voorstellen. Dat is dan wel moeilijk, ja. Maar ik wil er ook wel over vertellen. Waarom niet? Het hoort bij mijn leven en is een deel van wie ik ben.
 

Wat is voor u het belang van zingeving?

Ik heb mij lang verdiept in zingeving. De Weense psychiater Viktor Frankl was hierbij een dankbare gids. Bij het lezen over zingeving viel me heel sterk op dat er ongelooflijk veel geschreven is over zingevingssystemen, boekenkasten vol. Maar slechts weinigen schrijven over hoe je mensen kunt helpen om zin te vinden, zin te geven, zin te ontvangen of zin te maken.

Bejaarde mensen die een huisdier hebben, zijn vaak gelukkiger en leven langer.

Cruciaal is te weten hoe het proces van komen tot zin verloopt. Dan kunnen we mensen echt helpen. Maar we weten het nog altijd niet zo goed. Frankl stelde onder meer dat zin ontstaat doorheen heel concrete ervaringen, het is niet alleen iets conceptueels. Zo zijn bejaarde mensen die een huisdier hebben vaak gelukkiger en leven ze langer. Als hun hond dan bijvoorbeeld sterft, wordt het ook gevaarlijk voor hen. Hetzelfde mechanisme zien we vaak optreden bij mensen die lang getrouwd zijn. Vraag is hoe we contexten kunnen creëren waarin mensen tot zin kunnen komen. Dat behoort volgens mij tot de kern van alle hulpverlening. Zingeving behoort niet automatisch tot het domein van het geloof. Ze kan er volledig los van staan. Voor mezelf is het geloof wel een bron van zingeving.
 

U komt veel in contact met onmacht, pijn en kwetsbaarheid. Zo’n OCMW bezoek je niet als je geen problemen hebt. Verslavingen zijn ook zeer moeilijk te behandelen. Niet alle cliënten zijn van goede wil. Hoe plaatst u die ellende in uw leven? Hoe houdt u dat vol?

Ik werk graag en behoorlijk veel. Op zich is dat niet het punt. Vraag is of er voldoende voldoening en tegengewicht zijn om het vol te houden. Succesjes en complimenten helpen natuurlijk. Maar even essentieel is of er voldoende andere elementen in mijn leven aanwezig zijn. Cultuur, kunst en schoonheid boeien en versterken mij. Ik ga graag naar tentoonstellingen of naar een dansvoorstelling. Ook professioneel tracht ik dat een plaats te geven, onder meer door de projecten Kunst werkt in welzijn en de Kempen koestert kunstenaars waarvoor ik Dinora De Waele geëngageerd heb. Hoe kunnen we mensen die een leefloon trekken artistiek inschakelen? Enkele jaren geleden mocht ik de film De helaasheid der dingen inleiden tijdens de Dag van de Strijd tegen Armoede. Het is een mooie en aangrijpende film, maar tegelijk is er iets mis met deze film en klopt hij niet. Armoede en psychiatrie worden daarin volledig geassocieerd met lelijkheid, grauwheid en grijsheid. In de film is er nauwelijks een sprankeltje schoonheid of humor te bespeuren. Daar word je toch niet vrolijk van? Alsof dat de situatie van de mensen kan verbeteren?

Heb je ook aandacht voor wat wel goed gaat, wat hen mooi, sterk en gelukkig maakt, ondanks alles?

Ik stel deze vragen ook wel eens aan maatschappelijke werkers: wanneer heb je met je cliënten nog gesproken over iets positiefs of iets moois? Heb je ook aandacht voor wat wel goed gaat, wat hen mooi, sterk en gelukkig maakt, ondanks alles? Vanuit het OPZ ondersteunen we Yellow Art. Gehuisvest in de vroegere woning van Jan Hoet wil deze vzw mensen met psychiatrische problemen helpen om kunst te maken en te beleven. De vader van Jan Hoet was arts in onze kliniek. Toen Jan nog jong was, verhuisde hij terug naar Gent om er tandarts te worden. Jan Hoet en de gezinsverpleging van Geel hebben altijd een enorme band gehad. Zijn laatste grote tentoonstelling was trouwens hier in Geel.
 

Wat vindt u de grootste pijnpunten in onze maatschappij?

Ik ben er al langer van overtuigd dat wij onze eigen eenzaamheid organiseren en we zijn er dan nog fier op ook. Eenzaamheid is steeds meer een heel belangrijk thema in ons werk. We leven in een cultuur die stelt dat iedereen autonoom over zijn leven moet kunnen beschikken. We voeden kinderen bijvoorbeeld op met de idee dat ze zelf hun vrienden moeten kiezen en dat dat vooral goede vrienden moeten zijn. Wie kan hier nu iets tegen inbrengen? Maar als je hierover doordenkt, is dat toch wel een verschrikkelijke gedachte. Je kunt namelijk ook niet – of stel je voor: nooit! – door iemand anders gekozen worden als vriend. En dat is de realiteit voor velen. Veel mensen hebben weinig vrienden. Met de autonomiegedachte die wij koesteren en die we tot in den treure in debatten opvoeren, organiseren we eigenlijk onze eigen eenzaamheid. Een ander nieuw fenomeen waarvan we de negatieve effecten nog maar nauwelijks beseffen, is het online shoppen. Als dat zo doorgaat, kunnen we over tien jaar niet meer gaan winkelen. Dan vind je geen enkele winkel meer in een stadscentrum. Waar gaan we dan nog mensen ontmoeten? Toch wel een beangstigende gedachte, niet? Kunnen we dit nog omkeren?

Als je kiest voor je eigen dood, dan neem je automatisch ook je omgeving mee in dat proces. Dan sterft ook je omgeving een stuk mee.

Om terug te keren naar mijn werkterrein: ik vind dat ons welzijnsbeleid teveel vertrekt vanuit de autonomie- en zelfbeschikkingsgedachte en veel te weinig vanuit heteronomie. Een mens kiest volgens mij nooit alleen voor zichzelf. Als je kiest voor je eigen dood, dan neem je automatisch ook je omgeving mee in dat proces. Dan sterft ook je omgeving een stuk mee. Kijk naar het beleid nu in de gehandicaptenzorg om mensen persoonlijk te financieren. Als principe klopt dat: we moeten bij iedereen, zelfs bij de zwaksten, ernaar streven dat mensen meer autonomie hebben en zelf kunnen beslissen. We moeten alleen de realiteitszin hebben om te beseffen dat veel mensen dat niet aankunnen, en hun omgeving evenmin.

Ik vind dat we beleid moeten voeren op basis van de zwaksten. Daarom moeten we meer vanuit het aspect van de heteronomie denken.

Het huidige beleid is nu gericht op de 25% van de beste mensen, maar die hebben dat niet nodig. Ik vind dat we beleid moeten voeren op basis van de zwaksten. Daarom moeten we meer vanuit het aspect van de heteronomie denken. Ben ik nu tegen zelfbeschikking? Nee, maar we moeten het correct begrijpen: een mens staat niet op zichzelf. Ik probeer die visie ook in het concrete werk en bij de invulling van mijn job na te streven.    

Interview en foto’s van Eric Nysmans: Johan Van der Vloet      

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here