Directeur zorg Greet Bonner: ‘Ik wil mensen met een handicap een plek geven in de wereld’

0
983

‘We hebben een afspraak met Greet Bonner,’ melden we aan de receptie. ‘Je zult haar horen aankomen,’ krijgen we als antwoord. En inderdaad, Greet begroet ons enthousiast en vult de gang met haar lach. Ze gaat er helemaal voor, deze directeur zorg bij het MPC Sint-Franciscus. Geen vanzelfsprekende baan nochtans. Hoe hou je de ‘zin’ in je team wanneer je met zoveel moeilijke situaties te maken krijgt? Of hoe zingeving tegenwicht is tegen de ‘mottigheid’.

Het MPC heeft een zeer divers publiek. Niet minder dan zeshonderd personen van nul tot tachtig jaar, bijna allemaal mentaal gehandicapt, vaak met bijkomende problemen zoals autisme, gedragsproblemen, ernstige motorische beperkingen,… Greet zoekt met haar vierhonderd medewerkers naar nieuwe mogelijkheden om de ‘gasten’ – zo noemt ze hen – te ondersteunen.

Hoe proberen jullie jullie ‘gasten’ te ondersteunen?

Dat is niet altijd even gemakkelijk: sommigen komen door hun zware problemen agressief uit de hoek, anderen hebben heel veel zorg nodig omwille van ernstige medische kwesties en nog anderen komen uit zeer moeilijke sociale situaties. Wij willen niet zeggen dat gasten niet kunnen blijven. We doen voort, we zoeken altijd verder hoe we ze het beste kunnen begeleiden, want als wij afhaken, gaan ze naar huis of een andere voorziening. Gasten komen hier niet zomaar, ze hebben vaak al een serieus traject achter de rug.

Sommigen komen door hun zware problemen agressief uit de hoek, anderen hebben heel veel zorg nodig omwille van ernstige medische kwesties en nog anderen komen uit zeer moeilijke sociale situaties.

Weinigen kunnen die zorg van ons overnemen, en al zeker niet in verblijfsvorm. We gaan wel op zoek naar partners om samen de zorg te dragen, zoals de psychiatrie en de gemeenschapsinstellingen. Maar psychiatrische instellingen staan niet vaak open voor mensen met een handicap. In de gemeenschapsinstellingen kunnen uitzonderlijk gasten opgenomen worden. Maar eens ze meerderjarig zijn, moeten ze daar vertrekken.

Wat is jouw rol als directeur zorg?

Mijn rol is naast onze staf en begeleiders staan, kijken hoe we een anker kunnen zijn en ons engagement kunnen volhouden. Zelf een anker zijn voor de werknemers kan op verschillende manieren: door een duidelijk kader te scheppen, door mee te voelen, door het zoeken naar oplossingen voor concrete problemen, door naar externe partners duidelijk aan te geven wat we wel of niet kunnen. Dit is niet altijd vanzelfsprekend voor mezelf en ook niet voor de anderen. Maar als je op een correcte en eerlijke manier je rol opneemt, waarderen ze dat wel.

Waarom heb je gekozen voor dit werk?

Ik heb nog niet veel echt gekozen op professioneel vlak. Op mijn vijftiende verveelde ik mij tijdens de vakantie. Mijn vader zag in Kerk & Leven een advertentie voor een kamp van jong KVG, de grootste organisatie in Vlaanderen van en voor mensen met een handicap en hun omgeving. ‘Dat wil ik doen,’ dacht ik toen. Ik wil mensen met een handicap een plek geven in de wereld. Ik ging in het bestuur en voor ik het wist, was ik voorzitter. Voor mijn hogere studies dacht ik in eerste instantie aan landbouwingenieur. Jong KVG kon ik verderzetten als hobby.

Maar ik stopte mijn studie, koos voor pedagogie en later orthopedagogie. Er volgde eerst een stage in Pulderbos, een revalidatiecentrum voor kinderen en jongeren, en nadien een masterstage in Ierland. Mijn eerste job als orthopedagoog deed ik in Ganspoel bij blinden en slechtzienden. Toen we verhuisden naar Erembodegem kon ik dichtbij huis aan de slag als zorgcoördinator bij Don Bosco Aalst. Op mijn zevenentwintigste werd ik al leidinggevende, altijd bij personen met een handicap. Waarom? Dat weet ik niet. Mensen toonden mij altijd vacatures die bij mij pasten en toen ik solliciteerde, kreeg ik telkens de job.

Wat vind je moeilijk in je job?

Ik heb het vooral lastig als ik mij in iemand vergis. Ik vind het zeer moeilijk als iemand niet ‘echt’ is in een relatie. Ik kan niet werken als ik geen vertrouwensrelatie kan opbouwen. Dan voel ik me ongelooflijk bedrogen. Mijn team zien lijden, hen niet kunnen helpen, hen er niet overheen kunnen tillen, vind ik verschrikkelijk moeilijk. Dat weegt als lood. Als het over onrecht gaat of als iemand zijn macht misbruikt, kan ik dat niet verdragen. Dan gebeurt er iets binnen in mij: ik doe voort, want ik voel dat het niet klopt, ook al kunnen anderen dat nog niet geloven. Ongelooflijk hoe die drang naar rechtvaardigheid mij drijft en aan de gang houdt. Het is mijn verantwoordelijkheid om te zorgen dat het in orde komt, en dus doe ik wat ik kan.

Greet Bonner: ‘Als het over onrecht gaat of als iemand zijn macht misbruikt, kan ik dat niet verdragen.’

Eigenlijk zou ik er even tussenuit moeten, want soms is het echt wel te zwaar. Mensen zeggen me vaak dat ik meer moet doseren, maar ik kan niet op de rem leven. We werken hier uitsluitend met mensen die moeten leven in een situatie van onrecht. Ik krijg de kans om mensen die werken met mensen met een handicap te ondersteunen. Aan de handicap zelf kan ik niets verhelpen, maar ik wil wel mee in de shitgaan staan. Nu staan we samen in de miserie en die gaan we samen oplossen. Ik hoop dat dat steun geeft aan mijn teamleden. Ze zeggen dat hen dat inderdaad helpt, maar vaak zijn ze zo gestresseerd dat die ervaring wegebt. Herhalen dat mensen goed bezig zijn, is daarom zeer belangrijk.

Wat vind je het meest zinvolle aan je werk?

Zelf heb ik het meeste deugd aan één op één-gesprekken. Het maakt mij niet uit met wie of over welk onderwerp – een sollicitatie, loopbaancoaching of persoonlijke ondersteuning – als ik maar echt contact heb met mensen. Dat is ook de reden waarom ik vorig jaar, toen ik sukkelde met mijn gezondheid, dacht: psychotherapie is iets voor mij.

Hier staan altijd zakdoekjes. Welkom in het bleitbureau!

Het gebeurt vaak dat mensen komen wenen. Daarom staan hier altijd zakdoekjes. Welkom in het bleitbureau (lacht). Ik vind dat niet erg, ik ben zelf ook een bleiter, ik ken dat dus uit eigen ervaring. Zo kom je vaak ook bij de kern. Die authentieke kwetsbaarheid vind ik het allermooiste.

Het MPC is een instelling van de zusters Franciscanessen. Wat trekt jou aan in die Franciscaanse spiritualiteit?

De band met de zusters is er nog, ook al hebben ze zich bijna helemaal teruggetrokken uit de instelling. Alleen zuster Aleydis, die onlangs honderd jaar werd, blijft elke dag langskomen om ons te bemoedigen. ‘Dat is God, wat jullie doen,’ zegt ze. Die Franciscaanse spirit heb ik pas later ontdekt, maar ze ligt me wel. Ik heb minder een geschiedenis met de zusters dan mijn voorgangers omdat ik jonger ben, maar ik ben wel gelovig. De zusters vroegen mij om hun traditie vast te houden. We hebben een werkgroep zingeving. Samen met een aantal collega’s, soms met de gasten, organiseren we activiteiten, rond advent en Kerstmis bijvoorbeeld. We hopen dat deze initiatieven mensen aanzetten om ook in de groepen met de gasten rond belangrijke momenten even stil te staan.

Hoe zou je die spiritualiteit omschrijven?

We zijn altijd op zoek naar verbinding, zowel binnen de organisatie, in de teams, met de zusters en ook met de buitenwereld. Kwade tongen beweren wel eens dat we het grote MPC zijn dat de macht wil hebben, maar dat klopt niet. Wij willen verbinding.

We beginnen met de vraag: wat kunnen we voor je doen?

Ook het aspect dienstbaarheid in de Franciscaanse spiritualiteit spreekt me enorm aan. We willen graag ten dienste staan van elkaar, van onze gasten, van hun ouders, van collega’s, van iemand die bij ons aan de deur klopt. We kunnen niet alles doen, maar we beginnen wel met de vraag: wat kunnen we voor je doen?

Zit daar iets onvoorwaardelijks in?

Ja (aarzelt), dat zit er bij mij in. Toch hebben we nog werk om die spiritverder uit te dragen. We moeten dat niet mooier voorstellen dan het is. Onbegrensd is het niet. Grenzen helpen om iets anders mogelijk te maken. Dat heeft iets positiefs, als die begrenzing vanuit een positieve houding vertrekt.

Grenzen helpen om iets anders mogelijk te maken.

Dat verhaal krijg je niet aan iedereen even gemakkelijk verteld. Vaak moeten we beslissen of we bepaalde gasten wel of niet bij ons opnemen. Het gebeurt zelden dat we gasten weigeren. Als dat toch nodig is, is het belangrijk om dit op een goede manier te doen.

Welke plaats heeft zingeving in het personeelsbeleid?

Dat is vaak een missing linken dat houdt me ongelooflijk bezig. Enerzijds hebben veel van onze gasten gedragsproblemen en emotionele stoornissen. Die staan vaak op de voorgrond. Daarom stellen we ons voortdurend belangrijke vragen. Hoe kunnen we omgaan met hun agressie? Hoe kunnen we leren om op hen af te stemmen? Hoe geven we nabijheid met en zonder woorden? Hoe kunnen we geweldloos weerbaar zijn? Hoe staan we open voor de contextuele invloed van hun gezin? De cruciale vraag die we ons veel minder stellen, is: wat willen deze kinderen met hun leven? Ze leven met een handicap, ze komen uit een moeilijke context, ze hebben tal van problemen. Waarom zijn ze hier? Wat zijn de doelstellingen van hun leven? Wie wil leven in een leefgroep? Tegelijk organiseer ik die settings, want we hebben nu eenmaal weinig andere woonvormen.

De cruciale vraag die we ons veel minder stellen, is: wat willen deze kinderen met hun leven?

Daarnaast zie ik bij mijn personeel hoe velen van hun sokken geblazen worden door de confrontatie met al die problemen, die moeilijke contexten, die agressie, … Dan denk ik: waarom zijn sommige mensen zo gemakkelijk van hun sokken te blazen en anderen minder? Hoe kunnen we hen helpen om steviger te staan? Daarom zijn we dit jaar gestart met een nieuw initiatief: we hebben intervisoren met wie het personeel kan spreken over wat het werk met hen doet. De vraag wat je belangrijk vindt in je leven zit er nog niet in. Toch vind ik het niet evident om dit aspect binnen te brengen. Hoe doe ik dat? Zingeving kan volgens mij een grotere aarding teweegbrengen waardoor mensen datgene wat op hun pad komt beter kunnen dragen. Nu zijn sommige personeelsleden vaak bang wanneer ouders een vraag stellen. Ik denk dan: luister gewoon naar de vraag en naar de vraag achter die vraag, en ga daarover in gesprek. Wat kan er dan gebeuren?

Is dat een zingevingsvraag?

De zingevingsvraag zit in: ‘Wie ben ik? Mag ik er zijn? Ben ik goed genoeg?’ Als het enkel rond je competenties draait, halen ze jou zo onderuit. Nogmaals: de grote vraag is: wat is de zin van het leven van dit kind? Het antwoord daarop hebben we samen met dat kind te zoeken. Wat zijn jouw talenten? Waar wil je naartoe? Wat doe je graag? Waarom ben je zo boos? Als je met die vragen werkt, geef je tegenwicht aan de mottigheid.

Greet Bonner: ‘Als het enkel rond je competenties draait, halen ze jou zo onderuit.’

Je mag soms niet volledig laten doordringen wat die kinderen, jongeren en volwassenen hebben meegemaakt. Een collega begon te schreien nadat ze een dossier had gelezen. Ik ben blij dat mensen geraakt zijn door die geschiedenissen, maar het zegt wel iets. Vele gasten komen uit een multiproblemen context en hebben zeer erge dingen meegemaakt. Dat is onvoorstelbaar. En toch blijf ik geloven in de goedheid van mensen. Ik ben naïef. Ik geloof in mensen en vertrouw hen totdat ze mijn vertrouwen beschamen.

Heeft dat iets te maken met jouw geloof?

Ik denk dat wel. Elke keer als ik in de kerk zit, hoor ik wel iets over vertrouwen. Dan denk ik: ja, ja. Ik denk ook elke keer aan het werk als ik in de kerk zit. Dat plaatje past dan. Het is voor mij de toets of ik met de juiste dingen bezig ben. Ik voel mezelf dan ook eerlijk en betrouwbaar. Ik denk niet de hele dag aan mijn geloof, maar het past wel bij mij. Als ik dan toch teleurgesteld en kwaad ben, vraag ik me wel af hoe ik dat in mijn geloof kan plaatsen. Hoe kan ik kwaad zijn zonder te voelen dat ik mezelf bedrieg? Eerlijk en authentiek zijn, is zo belangrijk. Iets anders vind ik bijna ondenkbaar.

Hoe ga je om met je onmacht om die kinderen te helpen?

We kunnen niet alle lijden oplossen, dat is niet onze verantwoordelijkheid. Het is wel onze verantwoordelijkheid om het leven van onze gasten en hun context zo gewoon mogelijk te laten verlopen, met de ondersteuning die ze nodig hebben. Mijn rol is om die steun te organiseren samen met professionele mensen en om aan de kinderen de ruimte te geven om zichzelf als mens maximaal te ontwikkelen.

Op wiens schouders sta je?

Ik leun ten dele zeker op mijn geloof, maar ook van thuis kreeg ik vertrouwen mee. Het voelde als een aardbeving toen mijn ouders gingen scheiden, maar toch bleef dat basisvertrouwen overeind en ben ik dat altijd blijven voelen.

‘Grijp je kansen, engageer je, doe maar, kom maar af, we gaan je niet teveel bepamperen’: zo ben ik groot geworden.

Ik heb altijd veel vertrouwen gekregen in de dingen die ik deed, zowel van papa als mama. ‘Grijp je kansen, engageer je, doe maar, kom maar af, we gaan je niet teveel bepamperen’: zo ben ik groot geworden. Die woorden zitten heel diep in mij.

Je eigen dochter kampt met een depressie. Kijk je daardoor anders naar je job?

Als ik naar de kinderen in het MPC kijk, doet het mij nog meer beseffen hoezeer je maatwerk moet aanbieden, zowel voor het kind als voor de ouders. Pas als er een echte match is, kan een aanbod werkzaam zijn. Dankzij mijn opleiding en mijn job heb ik vaardigheden die andere mama’s met een depressief kind misschien minder of niet hebben. Toch vraag ik me soms af of dat aan mijn werk ligt. Misschien hangt het ook samen met hoe ik in de wereld sta. Mijn dochter lijdt aan een zware depressie, maar toch hebben we een opname geweigerd. Ze zuigt namelijk alle problemen van anderen op. Haar thuis verzorgen, is verschrikkelijk zwaar. Gelukkig kunnen we rekenen op mensen in wie we vertrouwen hebben. Ik heb me wel de vraag gesteld of je als hulpverlener al die contextuele factoren kunt inschatten bij een kind dat niet jouw eigen kind is …

Interview: Ilse Cornu en Johan Van der Vloet
Foto’s © Johan Van der Vloet

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here