Kerk & Leven-hoofdredacteur Luk Vanmaercke: De meeuw en de mier

0
23

Het zal je job maar zijn: elke week een blad brengen over God en de Kerk, net de thema’s die volgens onderzoek elk jaar rode cijfers boeken. Luk Vanmaercke, de hoofdredacteur van Kerk & Leven, blijft er nochtans enthousiast bij. ‘We bereiken elke week 460.000 lezers. Daar zouden heel wat bladen erg blij mee zijn.’ Toeval of niet: hij is net bezig aan een boek over geloven, gebaseerd op zijn edito’s die hij elke week schrijft.

In je edito’s probeer je geloof dichterbij te brengen. Toch vindt maar 20% van de Vlamingen de vraag naar het bestaan van God belangrijk…

Als hoofdredacteur van Kerk & Leven schrijf ik voor een publiek dat gelooft. Ik preek dus voor eigen kerk. Ik ben ook catechist bij vormelingen, al eenentwintig jaar lang. Daar ligt dat anders. De ouders en de kinderen hebben een losse band met kerk en geloof. Zelf bekijk ik het geloof vanuit twee perspectieven: dat van de meeuw die boven de aarde cirkelt – dat is mijn rol als HR die een geloofsperspectief geeft – en dat van de mier die op het terrein werkt en één van de velen is. Dat is mijn rol als catechist en dan bekijk ik de zaken van onderuit. Die twee perspectieven neem ik altijd mee.

Zelf bekijk ik het geloof vanuit twee perspectieven: dat van de meeuw die boven de aarde cirkelt – dat is mijn rol als hoofdredacteur die een geloofsperspectief geeft – en dat van de mier die op het terrein werkt en één van de velen is.

Als catechist in een parochie krijg ik elk jaar een tiental kinderen onder mijn hoede. Anders dan je misschien zou denken, merk ik in de voorbije twintig jaar eerder een toegenomen interesse voor geloof dan een afname. Vroeger waren de motieven om je kind te laten vormen zeer formalistisch: ze hebben recht op een feest, de grootouders willen het zo graag … Vandaag betrek ik de ouders in het traject. Ze volgen beurtelings mee de catechese-sessies en ik schakel ze soms ook in. Daar staan ze veel meer voor open dan vroeger. Zelfs ongelovige ouders willen dat hun kind die traditie meekrijgt. En dat gaat over meer dan waarden. We brengen duidelijk een geloofsverhaal. Nee, dat schrikt niet af, het maakt wel onwennig.

Ik vraag de ouders bij het begin van het catechese-traject wie gelovig is. Ik geef drie categorieën: gelovig – niet gelovig – enigszins gelovig. Ongeveer 40% noemt zichzelf gelovig, 60% enigszins gelovig. Hoewel het voor die ouders vaak moeilijk is om positie in te nemen, zijn ze wel oprecht geïnteresseerd. Ik ben dus niet zo pessimistisch en tegelijk ben ik niet naïef. Ik weet dat God voor velen geen rol van betekenis meer speelt. Toch is dat iets anders dan niet gelovig zijn. Katholieken zaten tot voor kort in een luxepositie: de geloofsoverdracht werd volledig uitbesteed aan parochie en scholen. Toen die structuren seculariseerden, stond het gezin niet klaar om die taak weer op te nemen. Dat is anders bij joden, moslims en protestanten.

Nogal wat mensen zien in de wetenschap een bewijs dat God niet bestaat …

Tussen geloof en wetenschap gaapt er ogenschijnlijk een kloof. Ik vind dat niet zo’n slimme manier van denken. Met het grootste gemak kun je een lijst van gelovige wetenschappers voorleggen.

De grondlegger van de Big Bang-theorie, Georges Lemaître, was een priester.

Heel lang was die link tussen geloof en wetenschap trouwens de normaalste zaak van de wereld. Abdijen en de kerk zelf waren net de plekken bij uitstek waar aan wetenschap werd gedaan. De grondlegger van de Big Bang-theorie, Georges Lemaître, was trouwens een priester en een prominent lid en voorzitter van de Pauselijke Academie voor de Wetenschappen.

Is er behoefte aan God?

Dat vind ik de belangrijkste vraag. Onze samenleving is sterk gecommercialiseerd. We zijn sterk bezig met materiële welvaart. Onze welvaartsstaat is natuurlijk een geweldige prestatie. Maar het lijkt alsof we enkel behoefte hebben aan vakantie, technologie en restaurants. Weinig mensen stellen zich nog de vraag of ze geloven in God. Daarom krijgt die vraag ook geen antwoord meer. Honderd jaar geleden waren vele mensen gelovig vanuit een soort intellectuele luiheid. Dan vraag je je niet af of er andere mogelijkheden zijn. Vandaag moet je doortastend zijn om gelovig te zijn. Nu drijven mensen vanzelfsprekend op het mandje van het ongeloof. Of anders gezegd: de intellectuele luiheid is van kamp veranderd. Vroeger vergde het moed om niet te geloven, nu vraagt het moed om wel te durven uitkomen voor je geloof. Mensen drijven nogal mee op de stroom van het meest gangbare.

Honderd jaar geleden waren vele mensen gelovig vanuit een soort intellectuele luiheid. Vandaag moet je doortastend zijn om gelovig te zijn.

Daarnaast zie je vandaag de sterke tendens om ons voor alles te verzekeren. In het geloof zijn we daarentegen van niets zeker. Geloven is op een zeer basaal niveau iets voor waar aannemen zonder zekerheid te hebben. Het houdt in dat je je durft overgeven aan zaken die je overstijgen, dat je controle en zekerheden opgeeft. Dat zie je ook tussen mensen. Een relatie beginnen, samenwonen of trouwen en samen kinderen krijgen: dan bind je je voorgoed aan elkaar. Ook al ga je daarna uit elkaar, dan nog blijf je via je kinderen met elkaar verbonden. Dat zijn enorme stappen in het onbekende. Dat is bij geloven ook zo: je geeft je over aan Iemand op wie je je levenskeuzes wil afstemmen. En dat doe je terwijl je niet eens de zekerheid hebt of Hij bestaat. Je kunt Hem niet telefoneren om dat even te checken.

Eigenlijk is de catechismus de uitvinder van de Q&A: hierin lees je alle vragen die je je mogelijks zou kunnen stellen.

De ironie wil dat de kerk vroeger het geloof als een zekerheid en een verzekering heeft gepresenteerd in de vorm van de catechismus. Ik heb twintig jaar achter de schermen van de politiek gewerkt. Als communicatieverantwoordelijke en woordvoerder heb ik vaak Q&A’s gemaakt: als je dié vraag krijgt, moet je dàt antwoord geven. Alle partijen hebben tegenwoordig zulke lijstjes klaarliggen. Eigenlijk is de catechismus de uitvinder van de Q&A: hierin lees je alle vragen die je je mogelijks zou kunnen stellen. Leer ze uit je hoofd, alle antwoorden zijn gegeven! Die aanpak werkt vandaag niet meer. De generatie van onze ouders is nog op die manier opgevoed en ze zijn dan ook de eersten die op grote schaal met dat soort geloof hebben gebroken. Vanuit een sociaal soort plichtsbewustzijn bleven ze vaak nog naar de kerk gaan, maar hun begeestering was verdwenen. En dus gaven ze het geloof ook niet meer zo enthousiast door aan de volgende generaties. Wie wel nog in God geloofde, sprak vaak vrij denigrerend over de kerk. Dat is uiteraard niet zo inspirerend voor wie na jou komt.

Nogal wat mensen haken af van het geloof wanneer ze met lijden geconfronteerd worden …

Heel zeker. De film Le Tout Nouveau Testament steekt de draak met een God die ergens hierboven de knoppen bedient. Dat Godsbeeld is er nochtans door de kerk ingeramd: de almachtige God heeft alles in de gaten en bestraft je als je iets verkeerds hebt gedaan. Mensen zeggen me soms dat ze niet meer kunnen geloven in God omdat ze wat hen is overkomen niet kunnen rijmen met een God van liefde. Als je uitgaat van een God die alles regelt, heb je een groot probleem als je kind kanker krijgt. Dat wordt anders als je een ander beeld van God hebt, bijvoorbeeld één dat eerder in de richting gaat van een liefdevolle vader-moeder-kind-relatie met maar één doelstelling: je kind op eigen benen leren lopen en loslaten.

Als je uitgaat van een God die alles regelt, heb je een groot probleem als je kind kanker krijgt.

Vergelijk het met je kind leren fietsen. Dan weet je 100% zeker dat je oogappel zal vallen, zich zal bezeren, bloeden en blauwe plekken oplopen. Je kind daartegen beschermen, kun je alleen als je het nooit leert fietsen. Als ouder wil je je kind natuurlijk wél leren fietsen omdat dat een deel van zijn autonomie is. Die vergelijking gaat uiteraard maar in beperkte mate op. In elk geval wordt het vanuit deze insteek logischer dat die God-Vader-Moeder jouw leven niet volledig uitstippelt en jou niet in een harnas hijst. Integendeel, je krijgt steeds meer verantwoordelijkheid.

Welk beeld van God heb je daarbij?

Dat wat ik nu aan het schetsen ben. Ik vind het heel moeilijk om dat onder woorden te brengen. Ik heb eerder flarden van beelden die ik in de loop van mijn leven probeer samen te puzzelen. Ik vind heel veel aansprekende godsbeelden terug in de verhalen waarin de benaming JHWH voorkomt. Dan denk ik uiteraard eerst en vooral aan het verhaal in Exodus 3,14. Mozes ziet een brandend braambos in de woestijn. Hij wil daar eerst vandaan vluchten, maar God zelf zegt zijn naam: JHWH, ik ben die is. Hij verzekert ons dus in de eerste plaats dat Hij bestaat én dat Hij bij ons is. Maar we moeten ons leven wel zelf oppakken. Dat vind ik heel krachtig als boodschap. Dan kan ik God zien als een soort belofte en een verbond, en dat niet enkel voor een uitverkoren volk, maar voor iedereen.

Hij verzekert ons dus in de eerste plaats dat Hij bestaat én dat Hij bij ons is.

Daarnaast vind ik God in de vader-moeder-rol ook heel krachtig, al besef ik dat dat een projectie is. De mens schiep God ook naar zijn gelijkenis. Dat is niet erg. Zover ben ik intussen al. Vroeger piekerde ik daar uren over. Nu ben ik op het punt dat ik God niet hoef te vatten. Ik leef meer in vertrouwen vanuit een belofte van Iemand die bestaat en die er is voor ons. Die benadering vind ik veel zinvoller dan proberen van God een beeld te creëren dat passend zou zijn.

Beseffen wij voldoende dat wij als mensen altijd worstelen met Godsbeelden?

In de klassieke leer wordt de kerk verondersteld om exact te kunnen inschatten wat God wil. Ik denk niet dat er nog veel katholieken rondlopen die dat beeld koesteren. Velen zien de kerk eerder als een gemeenschap van andere gelovigen aan wie je je kunt spiegelen en met wie je samen naar God kunt zoeken. We kunnen elkaar dus aanvullen.

Traditie loopt fout als je zegt dat bepaalde zaken onwrikbaar worden. Die bewegingsidee van ‘het gaat verder’ mag scherper doordringen in de kerk, vind ik.

De kerk denkt er al 2000 jaar over na hoe dat kan. Dat is het interessante aan een traditie: we hoeven niet met een blanco bladzijde te beginnen, we mogen voortbouwen op wat er al is. Traditie loopt fout als je zegt dat bepaalde zaken onwrikbaar worden. Die bewegingsidee van ‘het gaat verder’ mag scherper doordringen in de kerk, vind ik. Vanaf de vierde eeuw ging men grote kwesties met gezag beslechten en alles in een centraal leergezag ordenen. Dat maakte de christelijke religie tot de meest succesvolle aller tijden, maar tegelijk werd het een handicap. Mensen willen vandaag voor zichzelf denken. Mij helpt daarbij het volgende onderscheid: bestaat de waarheid? En als dat zo is, kunnen we ze dan kennen? Dat zijn twee verschillende vragen.

Nog even terug naar je functie als hoofdredacteur: waarom wilde je die job zo graag doen?

Ik heb 23 jaar expertise opgebouwd in communicatie en ik wilde die ten dienste stellen van de kerk. Dat valt niet mee, omdat de kerk intrinsiek zeer weinig communicatief geworden is en dat niet altijd beseft. Vroeger was ze vanzelfsprekend en dominant aanwezig, vandaag moet ze een veel grotere inspanning doen om gehoord te worden. Als de kerk wat meer zou communiceren, zou ze aardig wat mensen kunnen verrassen. Nu horen we te vaak clichés die maar voor de helft kloppen. Over armoede, vluchtelingen, uitbuiting, klimaat en milieu horen we te weinig het standpunt van de kerk.

Hoe komt dat?

Dat is diep ingebakken in de cultuur van de kerk. Ik vergelijk het vaak met de betere missionarissen. De meest succesvolle missionarissen waren niet diegenen die op dag één de Bijbel bovenhaalden en de bevolking wilden bekeren. Diegenen die zich helemaal integreerden en mee Eskimo, Congolees of Koreaan tussen de mensen werden, met hen samenleefden en ten dienste van de bevolking stonden, verwierven een authentiek gezag. Naar hen wilden de mensen luisteren, van hen wilden de mensen weten waar ze hun inspiratie haalden. Deze mentaliteit missen we vandaag in onze eigen samenleving.

Ik ben allergisch voor het beeld dat geloofsgemeenschappen oases in de woestijn zouden zijn. Dat is heel denigrerend voor de wereld.

Ook vandaag is er een kloof tussen de kerk en de mensen hier. Ik ben allergisch voor het beeld dat geloofsgemeenschappen oases in de woestijn zouden zijn. Dat is heel denigrerend voor de wereld. Als je zegt: ‘ik ben oase, jij bent woestijn’, dan ben ik de goeie en jij de slechte. Dan moet jij bij mij komen als jij ook een goeie wil worden. Dat is zo niet bedoeld, maar dat komt wel vaak zo over. Hoe aantrekkelijk ben je dan nog? Als je een ander beeld gebruikt – bijvoorbeeld dat van de hele wereld als een vruchtbare akker die je wil bewerken, waarop je wil zaaien en oogsten – krijg je een heel andere dynamiek.

Sommigen vinden dat de kerk zich dan te veel aanpast aan de moderne cultuur…

Het gaat hier niet over aanpassen als het laten vallen van jouw eigen ideeën. Het gaat wel over een andere manier van aanpakken, van functioneren en van aanwezig zijn in de samenleving. Als Pater Damiaan niet bereid was geweest om in Molokai te gaan wonen en het leven van de melaatsen te delen, waren we hem al heel lang vergeten. Het is die mentaliteit van samenleven die we opnieuw moeten aankweken, vooraleer we gaan oordelen over de moderne samenleving. We moeten ons eerst in de huidige maatschappij onderdompelen en die leren kennen. Pas dan kun je op een zodanige manier licht proberen zijn dat mensen zich gaan afvragen of onze aanpak niet interessant is.

Interview: Johan Van der Vloet
Coverfoto © Kerk & Leven

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here