Luk Bouckaert: ‘Grenzen aan de hoop’

0
15

Mogen we hopen op een betere wereld? En welke rol spelen de mensenrechten daarin? Luk Bouckaert kijkt in de spiegel van de hoop en hoedt zich voor al te voluntaristische en onrealistische hoop: ‘We moeten leren leven met onoplosbaarheid.’ Daarnaast schetst hij de rol van spirituele hoop die de rationaliteit van de mensenrechten overstijgt.

De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer had bijzonder scherpe kritiek op vooruitgangsgeloof dat gebouwd is op hoop. Het ergste moet nog komen, was zijn devies. De Griekse mythologie vertelt dan weer een interessant verhaal over hoop. In de legende over de doos van Pandora steelt Prometheus het vuur uit de hemel en geeft het aan de mensen. Dat maakte de oppergod Zeus furieus. Daarom stuurt hij een vrouw, Pandora, naar de aarde en geeft haar een doos mee die ze niet mag open maken. Pandora kan haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en ze opent vol verwachting de doos. Onmiddellijk ontsnappen alle kwalen van de wereld uit hun schuilplaats. Vliegensvlug klapt ze het deksel dicht en alleen de hoop blijft nog achter. In de Griekse tragische visie wordt hoop gezien als een uiterst gevaarlijke kwaal, want zij creëert verwachtingen, illusies en dus wanhoop. Daarom moeten mensen het meest op hun hoede zijn voor hoop.  
 

Hoop als politieke kracht

Denk aan de Victory Speech van Obama in 2008: Yes, we can! en de uitspraak Wir schaffen das! van Angela Merkel tijdens de zomerpersconferentie in 2015 toen ze geconfronteerd werd met de vluchtelingenproblematiek. Het zijn voorbeelden van hoop die in de politieke wereld positieve krachten kan mobiliseren in de richting van een nieuwe samenleving.
 

Hope © Lorie Shaull

Tegelijk zijn deze voluntaristische projecten ook voorbeelden van grenzen aan de hoop. Zo liet Obama een verdeelde natie achter, Merkel zowel een verdeelde partij als een verdeeld land en moet ze overal inbinden. Blijkbaar geloofden hun verdedigers te gemakkelijk dat ze alle problemen konden oplossen, terwijl er wel degelijk grenzen zijn aan maakbare hoop.
 

Niet oplosbare problemen

Niet alle problemen zijn oplosbaar. Het moderne vooruitgangsgeloof denkt dat de niet opgeloste problemen in principe wel op te lossen zijn als we maar voldoende tijd en geld hebben en als voldoende mensen bereid zijn om samen te werken. Dat klopt niet. Er blijft een zone van niet-oplosbaarheid. Dat geldt zowel voor onze bestaansvragen – lijden en dood blijven angels in het vlees van al onze hoop – als voor maatschappelijke problemen: hoe intensief ook onze strijd tegen ongelijkheid en armoede, ze duiken steeds weer in een nieuwe vorm op. Er blijft dus een weerbarstige en hardnekkige zone die we ondanks al onze rationele vermogens blijkbaar niet kunnen oplossen.

Er blijft een zone van niet-oplosbaarheid. Dat geldt zowel voor onze bestaansvragen – lijden en dood blijven angels in het vlees van al onze hoop – als voor maatschappelijke problemen.

Die ervaring dat ondanks alle ideologische discours meer en meer problemen onoplosbaar zijn, speelt sterk mee in het huidige crisisbewustzijn. Dat zorgt voor een paradox: ook al leven we in een spektakel-maatschappij en is onze kennis van wetenschap en technologie nog nooit zo groot geweest, toch zien we een accumulatie van diepgaande crisisfenomenen waarop we niet het juiste antwoord vinden. Hoe komt dat?
 

Onoplosbaar, hoezo?

In de eerste plaats bekijken we problemen zoals bijvoorbeeld de opwarming van het klimaat, de schuldenberg, tewerkstellingsproblemen en hongersnood vaak zeer analytisch en als op zichzelf staand. Maar deze problemen manifesteren zich eerder als een veelkoppig monster: als je één kop afhakt, komt er een andere tevoorschijn. Als je jobs wil creëren, moet je economische groei stimuleren, die op zijn beurt milieu- en klimaatproblemen in de hand werkt. Als je het hongerprobleem oplost, ontstaat obesitas. Als je meer digitale communicatie hebt, krijg je meer vereenzaming. Problemen verschuiven dus eerder dan dat we ze oplossen.

Problemen manifesteren zich eerder als een veelkoppig monster: als je één kop afhakt, komt er een andere tevoorschijn.

Daarnaast denken we al te vaak technocratisch: we gaan ervan uit dat er voor elk probleem één optimale oplossing bestaat. Dat klopt meestal in het geval van technische problemen. De Britse econoom Friedrich Schumacher maakte een onderscheid tussen convergerende problemen, als problemen waarvoor één optimale oplossing bestaat, en divergerende problemen waarvoor meerdere optimale oplossingen bestaan.

Bij het aanreiken van oplossingen spelen verschillende waardenovertuigingen mee en die kun je niet tot elkaar herleiden. En dus kun je het probleem ook niet helemaal oplossen.

Dat laatste is meestal het geval bij maatschappelijke problemen. Denk bijvoorbeeld aan discussies over de optimale opvoeding. Die stoelt bijna altijd op twee pijlers: tucht en orde enerzijds en vrijheid en creativiteit anderzijds. Welke van die twee heeft de prioriteit? Of denk aan de problematiek van de schuldenberg. Zonder discipline raakt die niet opgelost, zeggen de enen. Voor anderen is solidariteit het belangrijkste. Bij het aanreiken van oplossingen spelen verschillende waardenovertuigingen mee en die kun je niet tot elkaar herleiden. En dus kun je het probleem ook niet helemaal oplossen. Wel kun je via dialoog en empathie zoeken naar een voorlopig compromis waarin je het probleem overstijgt zodat een leefbare situatie ontstaat.

Tenslotte zie ik de neiging om zowel de oorzaak als de oplossing van problemen buiten onszelf te plaatsen. We blijven liefst zelf buiten spel. Als een fabriek moet sluiten, verwijten de werknemers aan de aandeelhouders hun grote winsthonger. De werkgevers verwijten de werknemers dat ze geen rekening houden met de rendabiliteit van het bedrijf. Hier is dus zowel een zondebok- als slachtoffermechanisme aan de gang. Compromissen vinden wordt moeilijker als iedereen op zijn punt blijft staan.

Voluntarisme is mooi, maar stoot dus op diepe grenzen.
 

Wat bedoelen we met hoop?

In het project The Hope Barometer probeert de Nederlandse onderzoeker Martijn Burger samen met zijn collega’s hoop als maatschappelijk fenomeen te meten. Hij laat zien hoe bepaalde determinanten, zoals opleiding en inkomen, mensen motiveren om zich in te zetten voor de maatschappij. Het onderzoek vertrekt van een psychologische definitie van hoop: Hopen is het verlangen om een bepaald resultaat of doel te bereiken, met daaraan gekoppeld een zekere waarschijnlijkheid dat het kan en dat er voldoende redenen zijn om zich gevoelsmatig en praktisch te engageren voor de realisatie ervan. (Adrienne M. Martin) Deze definitie gaat over maakbare en meetbare hoop. Spiritualiteit scoort hierbij relatief laag als beïnvloedende factor.

Vaclav Havel, schrijver en voormalig president van Tsjechië, ziet het anders: Hopen … is niet de overtuiging dat iets op succes uitdraait, maar wel de zekerheid dat iets zinvol is wat ook het resultaat moge zijn. Het is deze hoop die meer dan al de rest, ons de kracht geeft om te leven en voortdurend nieuwe dingen te proberen. Voor hem is hoop dus eerder een spirituele kracht die vooraf gaat aan het streven naar doelen, resultaten en efficiëntie.

Hopen … is niet de overtuiging dat iets op succes uitdraait, maar wel de zekerheid dat iets zinvol is wat ook het resultaat moge zijn.

Hetzelfde onderscheid zie je ook in de twee Franse woorden voor hoop. Enerzijds is er espoir dat eerder de actieve, mannelijke dimensie benadrukt. Daarnaast heb je het vrouwelijke woord espérance dat de dimensie van ontvankelijkheid oproept en verwijst naar een spiritueel fundament. Espérance is het onderwerp van een beroemd gedicht van Charles Péguy waarin hij de hoop voorstelt als een klein meisje dat het kwetsbare vlammetje van de hoop in de wereld moet brandend houden. Dit tweede alternatief helpt om de confrontatie met onoplosbare problemen betekenis te geven.
 

Charles Péguy stelt de hoop voor als een klein meisje dat het kwetsbare vlammetje van de hoop brandend houdt.

 

Waaruit bestaat spiritueel denken?

Onze samenleving is gefocust op de ontwikkeling van het rationele denken en verwaarloost het spirituele denken.

Rationeel denken steunt als redenering op inductie – wanneer je iets afleidt uit feiten – of op deductie – wanneer je iets afleidt uit principes. Alle wetenschappelijke redeneringen zijn daartoe te herleiden. Daarnaast stuurt rationeel denken ook ons handelen in de richting van zoveel mogelijk onze doelstellingen realiseren, gegeven de schaarse middelen. Dat is trouwens de kern van het economisch rationele handelen.

Vaak situeren we het spirituele op het niveau van het gevoel en het sentiment. Zelf beschouw ik spiritualiteit als een vorm van denken.

Maar er is meer dan rationeel denken. Volgens mij bestaat er een diepere laag van denken die we benoemen als het spiritueel, relationeel of verbindend denken. Vaak situeren we het spirituele op het niveau van het gevoel en het sentiment. Zelf beschouw ik spiritualiteit als een vorm van denken die niet op de ratio steunt maar op het menselijk vermogen om onszelf intuïtief, onmiddellijk en dus zonder bemiddeling van theorieën en concepten te ervaren als deel van een groter geheel, als deel van een oneindig universum. We beschikken over dat vermogen, maar we doen er meestal niet veel mee. De geest verbindt ons denken met de oneindigheid van het heelal, maar is ook het vermogen dat ons handelen aanstuurt en doet zoeken naar meer eenheid en harmonie in diversiteit. Geest en ratio zijn daarom twee verschillende, elkaar aanvullende dimensies van ons bewustzijn.

Van hieruit kun je twee soorten ethiek onderscheiden. Rationele ethiek wordt aangestuurd door principes, bijvoorbeeld de mensenrechten. De Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant legde er de nadruk op om je handelen daardoor te laten aansturen. Handelen is goed als je je aanpak kunt onderbrengen onder één van die principes. Vele middenveldorganisaties opereren vanuit die rationele ethiek.

Ik pleit ervoor om ook de geest een kans te geven als een specifiek vermogen om te denken en als een eigen aansturingskracht voor ons handelen. Hier spreek ik over spirituele ethiek. Albert Einstein zag dat zeer goed: hij noemt onze ratio de dienaar van de geest. Hannah Arendt sprak over the silent mind die ze meer ruimte wilde geven in het maatschappelijk debat.

Spiritueel denken verbindt ons met de gehele werkelijkheid en laat ons die werkelijkheid intuïtief aanvoelen als een geheel.

De functies van ons spirituele denken zien er enigszins anders uit dan die van ons rationele denken. Spiritueel denken verbindt ons met de gehele werkelijkheid en laat ons die werkelijkheid intuïtief aanvoelen als een geheel. Het verbindt ons met ons dieper zelf in plaats van ons te determineren vanuit allerlei ideologieën. Het verbindt ons met de tijd als schepping van iets nieuws en maakt ons gevoelig voor het leven als een transcendente bron van liefde. Op die manier brengt spiritueel denken een mystieke dimensie binnen.
 

Hoe kunnen we meer spiritualiteit binnenbrengen in onze organisaties?

Wie kent niet de bekende raadgeving van Antoine de Saint-Exupéry? Vrij vertaald luidt ze: Wanneer je iets wil ondernemen, breng dan geen mensen bij elkaar die strategische plannen maken, operationele doelen formuleren, taken verdelen en het werk controleren… Maar leer de mensen verlangen naar iets groots en waardevol. Dan zullen ze samen geschiedenis willen maken. De rest volgt dan wel.

Hier wordt verwezen naar de twee dimensies in ons bewustzijn. De rationele dimensie denkt in termen van plannen, strategische doelen, resultaten en structuren. Bij de spirituele dimensie wordt het plaatje ruimer. Onder de spirituele dimensie zit een hele dynamiek van zijn. Hier gaat het over spiritueel leiderschap, denken vanuit de toekomst en co-creatie van waarden.

Loslaten is een eerste essentiële oefening waarbij je zoekt naar een punt van niet doen.

Spiritueel leiderschap als hoeksteen van een organisatiecultuur vergt heel wat discipline en oefening. Loslaten is hierbij een eerste essentiële oefening waarbij je zoekt naar een punt van niet doen. In De weg van de Tao vind je een gedicht waarin Lao Tse de oefening van het loslaten mooi beschrijft en het onderscheid tussen spiritueel en rationeel denken verduidelijkt:
 

Bij het streven naar kennis
Wordt elke dag iets toegevoegd.
Bij het oefenen van de Tao
Wordt elke dag iets weggelaten.
Steeds minder moet je de dingen geweld aan doen
Tot je uiteindelijk het niet-doen bereikt

Als er niets is gedaan
blijft niets ongedaan
Het ware meesterschap kun je verkrijgen
Door de dingen hun eigen weg te laten gaan

Het kan niet door inmenging verkregen worden.

(Lao Tse, Tao Te Ching, gedicht 48 vertaling op basis van Stephen Mitchell)
 

Deze tekst schreef Lao Tse speciaal voor politici en leiders van organisaties. Anders dan rationele kennis die zich steeds uitbreidt, wordt spirituele kennis groter als je steeds iets weglaat totdat je het niet-doen bereikt. Dat is niet hetzelfde als niets doen. Het gaat erom dat je niet tussenkomt met je actieve ego en het probleem loslaat. Dan zal de werkelijkheid zichzelf tonen. Het vraagt echter heel wat oefening om alle blokkades te zien en los te laten. Mediteren, wandelen, tijden en plaatsen van stilte opzoeken, familie-opstellingen maken, je toeleggen op mindfulness, het loslaten van negatieve emoties, … zijn allemaal manieren om je op weg te helpen. Loslaten kan ook een doel op zich worden zoals in het Boeddhistisch streven naar het nirwana of in de Godsmystiek van Eckhart. In de context van leiderschap in organisaties is loslaten een onderdeel van een actief leven gericht op wereldverbetering.  


Verbinden in plaats van polariseren is een tweede belangrijk kenmerk van spiritueel leiderschap. Als je vrede wil met je vijand, moet je met hem samenwerken. Zo wordt hij jouw partner. Deze uitspraak komt van Nelson Mandela. Hij ging in het grootste geheim gesprekken aan met mensen van de Afrikaanse partij. Als zijn medestanders hadden geweten dat hij gesprekken aanging met de vijand, zouden ze hem dat nooit vergeven hebben. Maar hij deed het toch, vanuit de overtuiging dat als je niet met je vijand samenwerkt, je nooit een overeenkomst zult vinden. Hij bracht de bondgenotenstrategie in de praktijk. Denk ook aan wat Mahatma Gandhi zei: Geweldloosheid houdt niet in dat de mens tegen geen enkele vijand moet vechten. Alleen is de vijand het kwaad dat mensen doen en niet de mens die het kwaad doet.

Onderscheiden vertrekt van een intuïtief, innerlijk geestelijk aanvoelen van de werkelijkheid als geheel.

Onderscheiden is een derde cruciaal kenmerk van spiritueel leiderschap. Onderscheiden verschilt van redeneren waarin je iets afleidt uit plannen, principes, morele of wetenschappelijke wetten. Onderscheiden vertrekt van een intuïtief, innerlijk geestelijk aanvoelen van de werkelijkheid als geheel. Wat zijn de gevoelens die in mij opborrelen als ik deze of gene keuze maak? Onderscheiden was de weg waarlangs de monniken van Tibhirine tot de beslissing kwamen of ze wel of niet in hun klooster zouden blijven, ondanks de doodsdreiging. Aanvankelijk redeneerde de abt vanuit algemene principes en hielden ze lange discussies. Later trokken ze zich terug in stilte om te onderscheiden wat er zich diep in hen bewoog.
 

De monniken van Tibhirine © Gary Assouline

Denken vanuit de toekomst is een laatste kenmerk van spiritueel leiderschap. Hoop gaat altijd over toekomst. Aan de ene kant heb je wetenschappelijke prognoses. Die extrapoleren onze kennis van huidige feiten naar de toekomst. Zo wil het MIRA-klimaatrapport van 2015 bijvoorbeeld een rationeel milieubeleid ontwikkelen. Daarnaast heb je utopieën. Zij visualiseren ons verlangen naar geluk in een blauwdruk van de ideale samenleving. Thomas More’s Utopia is daarvan een goed voorbeeld. Het spirituele toekomst denken is echter van een andere aard. Het verbindt je niet met een prognose of met een ideale blauwdruk van de samenleving. Het verbindt je intuïtief met de tijd als een levensproces, als creatie van iets nieuws en onvoorspelbaars. Je probeert aan te voelen waarnaar de tijd en de geschiedenis je leiden.
 

Spiritueel toekomst denken in de praktijk

C. Otto Scharmer werkte daarrond de Theorie U uit. Hij was als kind in Hamburg opgegroeid in een mooie hoeve van 350 jaar oud. Op een dag riep de juf hem bij zich. Hij moest dringend naar huis omdat de hoeve was afgebrand. Dat was een traumatische ervaring: zijn hele jeugd en leven waren in rook opgegaan. Op datzelfde ogenblik, zo vertelt hij, besefte ik dat ik nog leefde en dat ik nog een toekomst had. Ik moest me verbinden met mijn toekomst nu mijn verleden verleden wasDie ervaring gebruikte hij om een nieuwe theorie te ontwikkelen. Hij wilde leren om de toekomst aan te voelen en tegenwoordig te stellen. Hoe doe je dat? Daarover gaat zijn boek Presencing the future. Hier speelt niet enkel het actieve ego een rol.

Normaal projecteer je patronen uit het verleden naar de toekomst. Eigenlijk moet je die patronen loslaten om een omslagpunt te bereiken waarin niet meer jijzelf iets creëert, maar waarin iets gecreëerd wordt doorheen jou.

Erik Lemcke, een beeldhouwer uit Denemarken, vertelt op zijn manier wat er gebeurt in dit proces: Nadat ik een tijdje aan een beeld heb gewerkt, komt er altijd een moment waarop de dingen veranderen. Als dat moment aanbreekt, is het niet langer ‘ik alleen’ die iets creëer. Dan voel ik mij verbonden met iets veel diepers en mijn handen co-creëren dan met die kracht (…) Dan weet ik intuïtief wat ik moet doen. Mijn handen weten of ik iets moet toevoegen of juist weg moet hakken. Op die momenten ben ik vervuld van dankbaarheid en nederigheid.

Normaal projecteer je patronen uit het verleden naar de toekomst. Eigenlijk moet je die patronen loslaten om een omslagpunt te bereiken waarin niet meer jijzelf iets creëert, maar waarin iets gecreëerd wordt doorheen jou. Maar wat geldt in de kunst, geldt dit ook voor ondernemingen en organisaties? Veel organisaties laten zich enkel sturen door principes van rationeel management. Maar zeker niet allemaal. Creatieve ondernemers en sociale leiders zijn op hun manier kunstenaars.

Zo bijvoorbeeld Semco, het bedrijf van de Braziliaanse ondernemer Ricardo Semler. Hij koos ervoor om alle hiërarchie en traditionele managementstijlen los te laten en te werken vanuit een gedecentraliseerde participatie. Intuïtie en vertrouwen waren voor hem belangrijker dan boekhoudkundige cijfers. In The Seven-Day Weekend. Changing the Way Work Works (2004) legt hij zijn originele werkfilosofie uit. Zijn verhaal illustreert wat er kan gebeuren als men de focus verschuift van maximale efficiëntie naar het zoeken naar zin en harmonie in het werk. Of anders gezegd: wanneer men ruimte laat voor de spirituele dimensie en verbindend denken in een organisatie.   
 

Tot slot: wat leert ons de spiegel van de hoop?

  • Duurzame hoop heeft een spiritueel fundament.
  • Ontdek spiritualiteit als een andere vorm van denken en als een methode om beslissingen te nemen.
  • Kies leiders die spiritueel kunnen en durven denken. Word zelf zo’n leider op de plaats waar je werkt.
  • Bevorder democratie als een spirituele methode om eenheid in diversiteit tot stand te brengen.
  • Versterk de idee van een economie van de hoop die denkt vanuit de toekomst.
  • Leer via praktische voorbeelden.

Tekst: Luk Bouckaert

De auteur is emeritus-hoogleraar aan de KU Leuven en het LUC Diepenbeek waar hij ethiek en wetenschapsfilosofie doceerde. In 1987 startte hij met enkele collega’s en ondernemers het interdisciplinair Centrum voor Economie en Ethiek te Leuven. In 2000 stichtte hij het SPES-forum, de Academie voor meer Spiritualiteit in Economie en Samenleving.

Foto’s © Johan Van der Vloet

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here