Tv-maakster Kat Steppe: ‘Ik zie eerst het schone en probeer dat eruit te halen.’ 

0
89

Zegt de naam Kat Steppe je niet onmiddellijk iets? Dan veer je ongetwijfeld wel recht als je de programma’s hoort die ze voor Eén maakte: ‘Taboe’ met Philippe Geubels en ‘Goed volk’ met Jeroen Meus. In het ontroerende ‘Een kwestie van geluk’ laat ze de bewoners van Borgerhout en Antwerpen-Noord hun verhaal doen. Dat programma zorgde voor haar doorbraak. Kat Steppe lijkt een fee met een toverstaf: ze tilt de soms grauwe werkelijkheid op en zoekt naar de innerlijke schoonheid in mensen. Zelf zegt ze het zo: ‘Wanneer je die geknipte fragmenten weer verbindt met andere, creëer je een nieuwe context. Ik vind dat ik daarin de plicht heb om dat altijd te doen in het voordeel van de mensen.’​​​​​​
 

Waarvan lig jij wakker? 

Mijn nierontsteking waarmee ik al weken rondloop (lacht). En op wereldvlak: vooral het milieu en het feit dat we met te veel zijn. Zelf had ik wel tien kinderen gewild, en als het mogelijk was geweest, waren ze er zeker gekomen. Ik vind dat iedereen dat recht heeft, maar als je het vanop afstand bekijkt, zie je dat er grote problemen zitten aan te komen.

Ik heb een groot empathisch vermogen en ik overdrijf daarin.

Daarvan lig ik wakker, ook omwille van het impact op de toekomst van mijn eigen kinderen. Ik heb een groot empathisch vermogen en ik overdrijf daarin. Ik verzin dikwijls achtergrondverhalen bij mensen die ik niet ken. Waarschijnlijk kloppen mijn fantasieën niet eens. Ik ben zelf afkomstig uit Menen, dat is een niet altijd zo frisse grensstad. Als ik daar bijvoorbeeld op de markt een paar mensen uit Congo zie lopen, heb ik gigantisch met hen te doen. Ik voel al het onbegrip waarmee ze zullen te maken krijgen.
 

Had je dat grote empathische vermogen al als kind? 

Zeker. Mijn zus en ik gaven punten aan voorbijgangers die wij eventueel als plus-grootmoeder of plus-grootvader zouden willen. Die term bestond toen natuurlijk nog niet. Mensen met een toffe kop kregen een tien. We dachten dat dat lieve, warme mensen zouden zijn. We verzonnen er een heel verhaal en karakter bij. Misschien hadden mensen die wij maar een drie gaven wel een veel beter karakter dan de omaatjes die van ons een tien kregen. 
 

Waar ben je nu mee bezig? 

Ik heb er altijd van gedroomd om een fictiefilm te maken die een groot stuk documentaire bevat. Maar het moet kloppen, je mag de mensen niet beliegen. Als iedereen denkt dat iets fictie is en achteraf blijkt het wel waar te zijn, reageert iedereen met Waaaaw! Bij het omgekeerde – fictie in een documentaire – krijg je boze reacties. Met dat spanningsveld probeer ik iets te doen. Ik heb een aanvraag lopen bij de fictie-afdeling, maar het hart van mijn project is een documentaire. 
 

Waarover zal jouw film gaan?

Concreet kan ik nog niets zeggen, alleen dat het gaat over mijn oude obsessie: herinneringen. Ik ben per ongeluk aan een paar zinnen van de Ierse priester-dichter John O’Donohue blijven hangen. Hij schrijft dat de tijd snel gaat. Als je achterom kijkt, vind je niets meer terug van de voorbije dagen. Gelukkig is er een plaats waar al die verdwenen dagen zich stiekem verzamelen: ons geheugen. Dat vind ik een mooie gedachte. Ik was daar altijd al mee bezig, van kindsbeen af. Ik kon makkelijk zeggen: op 13 april van vorig jaar deed ik dit of dat. Ik schreef dat in mijn agenda en trainde mijn geheugen, ook over zaken die helemaal niet spectaculair zijn, bijvoorbeeld een bezoek aan Delhaize.

 Als je achterom kijkt, vind je niets meer terug van de voorbije dagen. Gelukkig is er een plaats waar al die verdwenen dagen zich stiekem verzamelen: ons geheugen.

Ons geheugen kan een troost zijn. Maar als dat begint te haperen, wat doet dat dan met jou? Met je omgeving? Toen mijn ene oma overleed, verwarde ze me enkele dagen voordien met het meisje van de was. Ik zag haar paniek toen ik bij haar aan tafel ging zitten. Even later kwam samen met de herkenning het licht in haar ogen terug. Ze praatte met mij over mijn kinderen. Dat raakte mij intens. 

Mijn nieuwe film gaat dus over het geheugen, over de verdwenen dagen, het onvermogen om die opnieuw op te roepen en wat dat met je doet. De film zal niet specifiek over Alzheimer gaan, maar het zal er wel mee te maken hebben. 
 

Wat was jouw droom als kind? 

Ik wilde niet in een viswinkel werken. Voor de rest wilde ik gewoon groot zijn. Eigenlijk heb ik vooral negatieve keuzes gemaakt, ook in verband met mijn studies. Ik wist niet wat te doen. Dus ging ik naar het KASK. Daar leerde ik schilderen en vrije grafiek. Omdat ik er niet mee om kon dat ik moederziel alleen op mijn kamer creaties moest penselen, deed ik maar wat. Toen ik op een keer veel punten kreeg, wist ik helemaal niet hoe ik dat had klaar gespeeld. Ik kon het dus ook niet herhalen. Die strijd kon ik niet aan. Daarom stopte ik met die studie en ging naar het RITCS om de opleiding film te volgen. Vanaf dan hoefde ik niet meer alleen te werken. Vreemd genoeg heb ik daar, per ongeluk, mijn talent ontdekt. 

 

Kat Steppe wil graag het positieve in mensen benadrukken

 

En toen kreeg je plots heel mooie recensies als tv-maakster …

Iemand anders moet me zeggen dat ik iets kan. Ik ben per ongeluk in documentaire gerold. Ik ben afgestudeerd in film, ik had geen documentaire-plan. Maar ik ontmoette toen mijn man (nvdr: Frank Vander linden). Hij was dertien jaar ouder en stond veel verder in het leven dan ik. Ik wilde niet financieel afhankelijk van hem zijn en daarom nam ik een job aan bij Big Brother. Die vroegen namelijk iedere afgestudeerde regisseur om voor hen te komen werken. Ik heb daar veel geleerd over multicamera, in de studio zitten en aanwijzingen geven. 
 

Big Brother staat wel haaks op wat je nu doet. ‘Een Kwestie Van Geluk’ – een tiendelige docureeks over Borgerhout en Antwerpen-Noord – en ‘Taboe‘ – waarin Philippe Geubels op zoek gaat naar de grenzen van humor – zijn bejubeld. Daar zie je hoe je erg op mensen betrokken bent en hen met eerbied benadert. Je ontdekt een zekere schoonheid in hen. Is dat wat je wil doen? Je roeping? 

Ik vind dat iedereen de kans moet krijgen om herlezen te worden. Ik word er vaak van verdacht dingen op te smukken. Dat is niet zo. Wat ik probeer uit te lichten, is al intrinsiek aanwezig. Ik zie eerst het schone en probeer dat eruit te halen. Of ik focus op een detail. Het komt erop neer om mensen tijd te geven. 

Ik zie eerst het schone en probeer dat eruit te halen. 

Het personage van Leona uit ‘Een Kwestie Van Geluk‘ is daarvan een goed voorbeeld. Hoe ze eruit ziet, hoe ze spreekt, hoe ze zich gedraagt: daar zit zoveel schoonheid in. Die zie je in flitsen en die moet je vangen.
 

Je geeft haar ook de kans om het verhaal van haar vreselijke jeugd te vertellen, zonder dat het overweldigend wordt. Je blijft niet bij het grauwe staan …

Ik probeer altijd zo waarheidsgetrouw mogelijk te blijven. Charles, die elke aflevering met een soort dagboek begint en uitleidt met een gedicht, was nog maar pas in het rusthuis. Hij praatte altijd over het eten en over het menu, net omdat die maaltijden belangrijke momenten in zijn dag zijn. Ik heb die fragmenten telkens ingelast. Het leek iets gewoons, maar werd door zijn stem bijzonder.
 

Hoe kwamen jullie aan die titel ‘Een Kwestie Van Geluk’?

We hebben heel lang gezocht naar een passende titel. Een redacteur vroeg me eens: ‘Wat zijn we hier eigenlijk aan het maken?’ Ik mocht honderdtwintig dagen draaien in Borgerhout, maar had niet echt een plan. Ik had dus veel vertrouwen gekregen. Ik was bang dat als ik met een echt plan in zo’n moeilijke wijk zou gaan filmen, dat niet goed zou uitdraaien.

Hoe mensen nu in het leven staan – waar ze wonen en wie ze zijn – heeft alles te maken met wat vroeger is gebeurd en met de rugzak die ze meeslepen.

Ik wilde daarom het verhaal van zoveel mogelijk mensen horen: waar komen ze vandaan, hoe was hun jeugd? Dat vond ik heel belangrijk. Daarna bekeken we al ons materiaal. Toen zagen we dat hoe mensen nu in het leven staan – waar ze wonen en wie ze zijn – alles te maken heeft met wat vroeger is gebeurd en met de rugzak die ze meeslepen. Of hun leven goed of slecht uitdraait, is echt een kwestie van geluk. Vandaar de titel dus.
 

Het zijn allemaal kwetsbare mensen of mensen die in de marge leven … Ik denk nu aan Theo, die verslaafd is aan alcohol en zijn relatie tot Leona. Het gaat niet over evidente mensen. Wat spreekt jou zo in hen aan? 

We zoeken naar mensen die kunnen reflecteren over zichzelf. Let wel, kunnen reflecteren heeft niets met intelligentie te maken. Mijn grootmoeder is een heel intelligente vrouw, maar toen ik haar vroeg of ze haar ouders kon omschrijven, antwoordde ze alleen: ‘Het waren brave mensen.’ (lacht)

Wat Theo betreft: aanvankelijk vonden wij het mooi hoe hij zich stoorde aan de vuiligheid in zijn straat en hoe hij zelf, bij de gemeente, een vuilkar ging halen om de straat schoon te maken. Onze oorspronkelijke bedoeling was om hem af en toe als een positieve noot te laten terugkeren in het verhaal. Maar toen we hem opnieuw wilden filmden, schikte het hem niet: hij moest de benen van een vriendin gaan insmeren. We vroegen of we met hem mochten meegaan. Zo hebben we Leona ontmoet en hebben we hun hele verhaal mogen horen. De rest kwam vanzelf. 
 

Hoe help je de mensen om de camera te vergeten? 

Je grijpt als filmmaker uiteraard wel in. We zijn een kleine ploeg en als we bij de mensen komen, zorgen we dat het tof en beleefd blijft. Wat daarna gebeurt, zou het resultaat moeten zijn van een goede interactie tussen de ploeg en de mensen. We gaan niet heel dicht met de camera, we blijven op afstand. Het zijn mooie momenten als de camera wordt vergeten.

In mijn eerste langspeeldocumentaire over volkscafés zit een scène waarin de vuilkar voorbij komt. De bejaarde bazin volgt binnen de progressie van de vuilkar. Ze lijkt wel in trance en schuifelt zelf met de kar mee, van raam tot raam. Het café is zes tafels groot. Wij staan daar met vier man. Ze is ons volledig vergeten.
 

Groeit er een band met die mensen? 

Uiteraard. Dat lukt niet met iedereen, maar met sommigen heb ik nog altijd contact.
 

In De Morgen zeg je: ‘Ik heb de plicht om de mensen mooier te maken dan ze zijn.’ 

Wat ik er zou willen aan toevoegen, is het volgende: als je een film of documentaire monteert, knip je altijd iets uit een moment, uit een scène. Daardoor verlies je de context. Wanneer je die geknipte fragmenten weer verbindt met andere, creëer je een nieuwe context. Ik vind dat ik daarin de plicht heb om dat altijd te doen in het voordeel van de mensen. Van Leona bijvoorbeeld had ik een monster kunnen maken. Maar dat zou niet correct geweest zijn, ook al heeft ze haar kwalijke kantjes. Zij is een mooie, moedige vrouw. Dan moet je ervoor zorgen dat die uitsnede in haar voordeel is. 
 

Heb je dat ook met de mens in het algemeen? Veel films gaan toch over het kwade in de mens? 

Mijn moeder werkte bij Kind en Gezin, dus wij kenden de problematiek van de sociale gevallen. Er zaten altijd kindjes met een moeilijke achtergrond bij mij in de klas. Als we iemand niet leuk vonden, zei mijn grootmoeder: ‘Het is altijd iemands kindje.’ Dat klopt ook.

Het is altijd iemands kindje.

Ik probeer daarom altijd op die manier te kijken naar mensen. Van wie is hij of zij het kind? Wat is zijn of haar jonge versie? 
 

Heb je ook het idee dat je een impact hebt op de maatschappij? Dat je mensen aan het denken zet? 

Te weinig. Je kunt mensen wel een avond ontroeren, maar ’s anderendaags gaan ze terug naar ‘normaal’. Dat betekent niet dat ik het niet moet doen. Maar zeggen dat ik maatschappelijk impact heb of zou willen hebben, zou ik heel pretentieus van mezelf vinden. Ik heb er wel al vaak over nagedacht. Ik vind het belangrijk om voorbij de façade te leren kijken. Dat komt uit mijn jeugd.

Mijn grootvader heeft in het kamp van Lokeren gezeten, mijn grootmoeder is verpleegster geweest bij het Duitse leger. Mijn andere grootouders waren ‘witte’.

Ik ging gisteren naar die lezing van Koen Aerts over ‘kinderen van de repressie’. Mijn vader is een kind van de repressie. Mijn grootvader heeft in het kamp van Lokeren gezeten, mijn grootmoeder is verpleegster geweest bij het Duitse leger. Mijn andere grootouders waren ‘witte’. Maar dat is nooit een struikelblok tussen mijn ouders geweest. Ik heb beide kanten gehoord, dat vond ik heel bijzonder. De nuance en achterkant van een verhaal is belangrijk.

Empathie is een bedreigd gegeven. De jonge Afghaan in ‘Een Kwestie van Geluk’ heeft werk gekregen door die uitzending. Eén vluchteling dus. Ik ben uiteraard blij voor hem. Voor Nicole uit ‘Taboe’ zijn een heleboel studenten geld gaan inzamelen zodat zij ook eens meubels kon kopen. Dat zijn concrete mensen met concrete wensen, zoals iedereen die heeft. Wij halen er dan net die ene uit. Daar zou eigenlijk geen tv-programma voor nodig moeten zijn. Eens mensen weten hoe het bij iemand gaat, ervaren ze wel die behoefte om te helpen. 
 

Je bent eigenlijk verlegen, zeg je. Hoe komt dat?

In de zomer vooraleer ik naar het RITCS ging, verfde ik mijn haar zwart. Ik had een Louise Brooks-kapsel. In de academie van Gent had ik vrienden, maar in het RITCS niemand. Ze vonden mij afstandelijk, koel en hautain. Ik ben me toen maar beginnen verdiepen in kranten om me een houding te geven. Ik was helemaal niet veranderd van karakter op één zomer tijd. Het lag aan die zwarte pruik. Daarvan ben ik geschrokken en zo is die verlegenheid ontstaan. Ik voel die nu nog.
 

Kat Steppe

 

Ik ben verschrikkelijk eenzaam geweest. Mensen aanspreken vind ik nog altijd moeilijk. Ik zal niet snel het eerste contact leggen. Mijn kinderen zitten op een Steiner-school. Daar vinden ze de inbreng van de ouders heel belangrijk. Ik zie de meeste moeders dan ook vaak druk in gesprek met elkaar. Ik vermoed dat ze van mij denken dat ik hen niet tof vind. Dat is helemaal niet zo, ik vind het gewoon moeilijk om naar hen toe te stappen. Dat heeft dus niets met afstandelijkheid te maken, maar alles met verlegenheid. Sinds dat kapsel dus, ik had nooit mijn haar mogen kleuren. 
 

Je bent veel met de eindigheid bezig. Waar komt dat vandaan? 

Ik heb altijd schrik gehad dat ik te snel zou sterven. Elke avond deed ik een schietgebedje. Ik wist niet zeker of God bestond, maar voor de zekerheid overliep ik mijn dag. Ik vertelde de goede en slechte dingen aan hem en ik dankte voor alles. Ik heb geen ochtendhumeur, wel een avondhumeur. ’s Ochtends als de dag fris begint, is alles nog mogelijk en heb ik heel veel plannen. ’s Avonds merk ik dan hoe weinig daarvan is terecht gekomen en dan ben ik slecht gezind. Mijn dag overlopen hielp me dan wel.

Ik heb geen ochtendhumeur, wel een avondhumeur. ’s Ochtends als de dag fris begint, is alles nog mogelijk en heb ik heel veel plannen. ’s Avonds merk ik dan hoe weinig daarvan is terecht gekomen en dan ben ik slecht gezind.

Dat deed ik tot ongeveer acht jaar geleden. Ik hoorde toen de Engelse acteur en schrijver Stephen Fry die een Ierse priester aanviel: ‘Als God bestaat, kan het geen liefdevolle God zijn: beenmergkanker bij kindjes? Waar gaat dàt over?’ Toen dacht ik: ja, hij heeft gelijk. En toen ben ik gestopt met geloven, zo opeens. 
 

Leven, dood en God waren voor jou aan elkaar gekoppeld? 

Ja, ik was heel bang om te sterven. Ik vind dat een interessant én een slecht concept. Ik hoop dat er een leven na de dood is. In mijn film over het kerkhof van Menen interview ik een gids. Die ziet geesten. Dat vond ik ontzettend hoopgevend. Stel je voor dat hij gelijk heeft! Tijdens het interview zag hij zijn grootmoeder en oom naast mij zitten. 

Verouderen was iets voor anderen, voor mij was dat iets absurd: rimpels zou ik nooit krijgen.

Ik ben ineens groot geworden, dat ging trouwens veel sneller dan ik dacht. Tot mijn zesendertigste dacht ik dat ik voor alles wat ik nog wilde doen heel veel tijd had. Ik ben met alles veel later in gang geschoten dan de meeste mensen. Verouderen was iets voor anderen, voor mij was dat iets absurd: rimpels zou ik nooit krijgen. Ik hoor dat ook andere en oudere mensen zeggen als ze vroegere vakantiefoto’s van zichzelf bekijken: ‘Zie, zie, wij dachten dat we nooit zouden verouderen!’ Ik ben er nu meer mee bezig omdat ik van mijn tijd nog iets probeer te maken. 
 

Wat is voor jou de zin van het leven? 

Ik denk aan een aflevering met de gebroeders Verbaere uit ‘Goed Volk’. Ik denk elke dag aan Etienne Verbaere. Hij zei: ‘Het doel van het leven is om te leven.’ Dat vind ik heel juist. Je moet leven en proberen doen wat je moet doen. Hij vergeleek het zelf met een kip. Die heeft geen notie van ‘gisteren’ en ook niet van ‘morgen’. Een kip begint elke nieuwe dag aan de dag zelf. Encore une journée à mettre au monde, zegt Etienne als hij opstaat. Het leven zèlf is de zin van het leven.
 

Hoe ga je om met lastige momenten in je leven? 

Ik trek mij dat allemaal aan. Ze hadden mij gevraagd om een programma te maken met de Cel Vermiste Personen en Alain Remue. Ik heb lang getwijfeld. Iedereen heeft me dat afgeraden, ik zou eraan kapot gaan. Ik heb dan ook besloten om het niet te doen. Ik ga daar niet goed mee om. Ik ben gelukkig van te veel lijden gespaard. Dat zal niet blijven duren, maar ik kijk daar niet naar uit. 
 

Zou je jezelf melancholisch noemen? 

Ja en nee. Mijn zus kwam deze week nog logeren. We hebben liggen gieren van het lachen om alle toeren die wij samen hebben uitgehaald. Een oud vrouwtje stond midden in de nacht te liften. Wij namen haar mee in onze auto en ze wilde er daarna niet meer uit … Wij waren zo naïef, er had vanalles mis kunnen gaan. 

De tijd gaat snel en ik kijk vaker achterom dan vooruit. Ik mis het geloof wel om daarin wat rust te vinden. Bij de Hutterieten in ‘Goed Volk’ bijvoorbeeld was dat echt straf. Die mensen geloven heel sterk. Niet lang na ons bezoek stierf de vader, de ‘minister,’ en iedereen was door het dolle heen omdat hij eindelijk naar de hemel kon! 
 

Jeroen Meus werd in die aflevering zwaar door die protestantse gemeenschap aangepakt …

Ja, hij kwam na die vergadering met zwemvijvers onder zijn oksels buiten… Het was confronterend voor beide partijen. Zij vonden hem leuk genoeg om het heel erg te vinden dat hij, in hun ogen, door zijn ongeloof naar de hel zou gaan. Maar hij kon hen daar niet mee helpen. 
 

Je bent zeer perfectionistisch? 

Als ik iets moet schrijven, dan lukt me dat niet als het niet op het laatste moment is. Ik heb veel last van mijn innerlijke criticus. Die houdt enkel zijn mond de nacht voor ik iets moet inleveren. Ik ben wat bang om dat als een systeem in te zetten.

Als je zevende canvas goed is, is dat omdat je de zes vorige hebt verprutst.

Tijdens mijn jaren op de schilderacademie heb ik wel dit geleerd: als je zevende canvas goed is, is dat omdat je de zes vorige hebt verprutst. Als ik mijn gedachten neerschrijf in een schriftje kan iedereen mijn ideeën meelezen en merken hoe slecht ze zijn. Als ik ze intik op mijn computer, kan ik ze blijven uitwissen en dan gaat het ook niet vooruit. 
 

Ben je bang dat mensen je werk niet goed vinden? 

Ja, ik denk dat als je gelooft dat je succes gerechtvaardigd is, je niets goeds meer maakt. Onlangs heb ik enkele fragmenten uit ‘Een Kwestie van Geluk’ nog eens bekeken. Ik was blij om te merken dat die nog  een beetje overeind staan. Dat kan mij echt blij maken, als ik mijn werk drie jaar later nog steeds oké vind. Dat is niet altijd het geval. Ik keek ook naar een bepaalde aflevering uit ‘Goed Volk’, meer bepaald naar een scène in het rusthuis, en die vond ik niet meer goed. 
 

‘Alles wat Kat Steppe aanraakt, wordt goud’, stond in De Morgen. Wat doet dat met jou? 

Ik zal eerlijk zijn: ik ben blij dat er ‘goud’ staat en niet ‘stront’. Tegelijk maakt het me bang. Ik ben heel bijgelovig – dat dan weer wel (lacht). Wanneer ik vroeger schetsen maakte en ik wilde niet dat die mislukten, mocht ik van mezelf niet te vroeg vinden dat ik op de goede weg was. Bij wijze van truc zei ik dan tegen mezelf: ‘Niet te vroeg juichen!’ Als ik dat niet gezegd had, zou het mislukken. Dat beetje hovaardigheid zou het de mist doen ingaan.

Ooit heb ik op een zakje yogi-thee een interessante spreuk gelezen: ‘Sta niet stil bij uw successen en ook niet bij uw tegenslagen.’ Dat neem ik mee. Ik wil me niet laten leiden door mijn successen, want sowieso komen er ook tegenslagen. Ik ben bang dat ik die niet zal aankunnen als ik me nu teveel op het succes focus. 
 

Ligt dat ook aan je opvoeding? 

Dat denk ik wel. Mijn ouders hebben er altijd een punt van gemaakt om niet te ‘stoefen’. Mijn zus was altijd de eerste van de klas, met 98% zelfs, en dan nog twee keer. Daar werd nooit wat van gezegd. Mijn zus heeft ooit es laten vallen dat ze het idee had dat het nooit goed genoeg was. Terwijl mijn ouders eigenlijk goed wilden doen en ons heel bescheiden wilden opvoeden. 

In mijn werk speel ik altijd met elementen waarvan je niet zeker bent. Het is natuurlijk een ambacht en intussen ook een métier. Toch spelen geluk en toeval altijd een rol. Als je teveel denkt dat alles wat je aanraakt in goud verandert, sluit je dat geluk en dat toeval eigenlijk uit. Dat accident, dat toeval is veel belangrijker dan veel mensen in mijn sector willen doen geloven. 
 

Je hebt twee kinderen van vier en zeven. Welke levenshoudingen wil je hen graag meegeven? 

Het belang van familie, in eerste instantie. Daar heb ikzelf steeds veel deugd aan gehad, en nog steeds. Mijn ene dochter zit al heel lang in de fase dat ze de baas wil zijn. Ik herhaal dan tot in den treure dat het ogenblik om de baas te spelen pas daar is als ze weten wat goed en wat slecht is. Ik kan er eindeloos over zeuren dat het de job is van mij als mama en van hun papa om hen het verschil tussen die twee te leren inzien.

Ik probeer mijn kinderen mee te geven dat ze niet te snel mogen oordelen. 

Van zodra wij vinden dat ze dat kunnen, mogen ze zich voortplanten. De oudste begint dat stilaan in te zien, maar de kleinste zegt: ‘Jij moet zwijgen, want jij hebt ook ouders, dus jij moet naar hèn luisteren.’ Spijtige redenering (lacht). Ik hoop dat zij ook empathische wezens zullen zijn. Ik probeer mijn kinderen mee te geven dat ze niet te snel mogen oordelen. 

Wat wil je mensen meegeven in je werk? 

Misschien die pastorale zin dat ze wat verder moeten kijken dan ze zien. Ergens zit er dus nog een missie in mij. 
 

Wat of wie inspireert jou? 

Er zijn uiteraard boeken en films, maar mijn inspiratiebron is het steeds het laatste werk dat onder mijn ogen kwam. Ik zou liever zeggen: mensen, onder andere diegene die ik in beeld mocht brengen. Etienne Verbaere is een mooi voorbeeld, Leona ook, net als Charles, de verteller uit ‘Een Kwestie Van Geluk’. Daarnaast Alice uit ‘Bedankt & Merci‘. Zij is een krachtige en fantastische vrouw. Ook de mensen die in mijn leven zijn: Frank Temmerman, Frank Vander linden, Jeroen Meus, Tom Lenaerts… Tom kan heel snel het kaf van het koren scheiden. Ik ben een trage werker en hij laat dat gebeuren. Ik krijg mogelijkheden en daar ben ik dankbaar voor.
 

Wat zou je nog willen bereiken in je leven? 

Ik speel vaak een spelletje als ik voor een stoplicht sta. Dan probeer ik nog vlug – zolang het rood is – iets te zeggen vooraleer het licht op groen springt en omgekeerd. Bijvoorbeeld: ‘Ik wil nog succes hebben’, of ‘Ik ben bang dat ik zonder inkomen verder moet’. Ik probeer er, voor het licht verandert, altijd als laatste nog snel ‘gezondheid’ tussen te krijgen. Uiteindelijk draait het allemaal rond gezond mogen blijven en van daaruit leven. 
 

Kat Steppe

Als ik denk aan Etienne Verbaere en wat hij over het leven vertelt, zie ik hoe ikzelf nog steeds een hoop dingen in mijn leven tegen mijn zin doe. En die dingen zijn niet eens belangrijk! Ik wil mijn tijd met mijn kinderen goed besteden nu ze nog klein zijn. Die tijd zal snel genoeg voorbij zijn. Wat ik dus wil bereiken, is een vrijheid van moeten – niet noodzakelijk financieel, wel in mijn hoofd, zodat ik weet wat belangrijk is. Om die doelen te bereiken, wil ik die dingen doen die nodig zijn zodat alles praktisch haalbaar blijft. Ook bij die noodzakelijke bezigheden kun je die ‘vrijheid van moeten’ ervaren in je hoofd. Je weet dan namelijk waarom je die dingen doet en je bent daar bewust mee bezig.
 

Wat wil je als spoor achterlaten? 

De mensen die ik niet ken: niets. Wel zou ik graag zo lang mogelijk herinnerd worden door mijn familie. Ik zou het tof vinden als ik ze niet te hard geërgerd heb. Dat is voor mij het belangrijkste. 
 

En jouw werk? Wil je niet graag dat dat de tand des tijds doorstaat? 

Nee, de dingen die de tand des tijds moeten doorstaan, bestaan al. Etienne Verbaere gaf me op het eind van de draaiperiode een bundel over de ‘Allegorie van de grot’ van Plato. Pour Cathérine staat erop. Het is een hele verzameling prints en aantekeningen. Hij zei: ‘Bekijk de ‘Allegorie van de grot’ nu eens in functie van televisie.’ Dàt heeft de tand des tijds doorstaan! Maar mijn eigen werk? Dat gaat nooit goed genoeg zijn! (lacht)

Tekst: Johan Van der Vloet
Foto’s @ Ellen Goegebuer

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here