Waarom we (niet meer) geloven in leven na de dood

0
58

Het is een herfstzondag, het wordt voor het eerst kouder en donkerder na die lange zomer. Die middag: een herdenkingsdienst voor een meisje dat vier jaar geleden overleed na een lange en pijnlijke strijd tegen kanker. Ze zijn met velen gekomen: familieleden, klasgenoten, leerkrachten van haar school. Het gaat over licht, de letters van haar naam worden met kaarsjes gevormd. We lezen teksten voor, er wordt harp gespeeld. Woorden en symbolen die de hoop vertalen dat het met dit leven niet stopt.

We hebben het erover, nadien bij de koffie. Waarom het zo moeilijk is geworden om met de dood om te gaan, en om te geloven in leven na de dood. Meermaals wordt de reeks Last Days genoemd waar Lieve Blanquaert stilstaat bij het leven en de eindigheid ervan. ‘Wie naar de dood durft te kijken, komt uit bij het leven’ staat er op de site van het programma. En verder nog: ‘Last days is een ode aan dat leven. Geen kommer en kwel, maar verrassende, mooie en pakkende verhalen uit alle uithoeken van de wereld. Hoe we omgaan met ouder worden en de dood is een brandend actueel thema dat nog al te vaak wordt doodgezwegen.’ Welk leven, denk ik dan? Ik vraag het aan mijn gesprekspartners. En inderdaad, in alle culturen waar Blanquaert komt, speelt het geloof in het leven na de dood een immense rol in de verwerking van rouw en de omgang met eindigheid en ouder worden. De dood hoort bij het leven omdat het leven niet stopt met de dood.

De dames die bij het graf van hun familie picknicken, stralen hoopvolle sereniteit uit. Heel ontroerend is de vader die in het graf van zijn dochtertje een poppenhuis bouwt.

Haar bezoek aan Mexico op de Dia de Muertos is daar het pakkendste voorbeeld van. Mensen geloven dat de doden die nacht op bezoek komen. Daarom hoef je niet bang te zijn voor de dood, of al te verdrietig om de doden. Ze zijn namelijk op een betere plek, waar de familie en geliefden ooit ook zullen komen en elkaar weerzien. De dames die bij het graf van hun familie picknicken, stralen hoopvolle sereniteit uit. Heel ontroerend is de vader die in het graf van zijn dochtertje een poppenhuis bouwt. Hij heeft verdriet, maar zegt dat hij weet dat ze nu straalt in de hemel. Het zijn dingen waar wij het moeilijk mee hebben. We blijven beweren dat we de dood moeten aanvaarden als een deel van het leven. Lukt dat wel als je tegelijk zegt dat het met de dood radicaal gedaan is?

Waarom geloven we niet meer in leven na de dood? En in welke mate heeft ons dat misschien onbewust veel troost en hoop afgenomen? Mijn gesprekspartners vinden alvast dat onze omgang met de dood moeizamer is geworden. Natuurlijk is de dood een onding, een verschrikking. An Olaerts schrijft het heel gevat in haar column voor DSmagazine over een uitvaart: ‘Ik had zo’n ellendig kaartje geschreven met niks zinnigs erop. Wat moet je zeggen? Ik dacht alleen maar: ik ben het er niet mee eens. Nog nooit ben ik het ermee eens geweest. Ik moet die hele gang van zaken niet.’ Net omdat we die gang van zaken niet moeten, staan we voor een pittige vraag: moeten we de dood dan toch aanvaarden? Of is onze antipathie net een teken dat er wel eens een grond zou kunnen zijn om te geloven in een leven na de dood?

‘Je bent pas dood als je bent vergeten.’ Een gemene tekst eigenlijk, want wie een succesrijk sociaal en familiaal leven had, leeft langer voort dan wie anoniem op straat sterft. Dat schept zowaar nog een klassenmaatschappij na de dood.

Daar kun je minstens eens goed over discussiëren, daar waren alle tafelgenoten het over eens. Toch lijkt het er op alsof we van onszelf niet meer mogen geloven in leven na de dood. Alsof het een illusie is die we niet langer mogen koesteren. We staan onszelf nog wel toe te zeggen dat mensen voortleven in onze herinneringen: ‘Je bent pas dood als je bent vergeten.’ Een gemene tekst eigenlijk, want wie een succesrijk sociaal en familiaal leven had, leeft langer voort dan wie anoniem op straat sterft. Dat schept zowaar nog een klassenmaatschappij na de dood. De ongelijkheid wordt er nog erger door. Dus nee, dan liever helemaal niks.

Religies spreken over ‘eeuwig leven’ voor iedereen en zelfs over veel meer dan dat: herstel van wat in dit leven onaf was, misliep, onrecht was, noem maar op. Dat lijkt ons aan de koffietafel een veel eerlijker standpunt. En dit wordt ons ook helder: je geloof in een leven na de dood verliezen, heeft zeker te maken met ons afscheid van God en transcendentie. Dat hangt nu eenmaal samen. We onderschatten het impact van dit afscheid op onze omgang met het leven en de dood. Het wordt algauw een kringredenering: ook geloven in God valt onder ‘niet (meer) mogelijk’. Dat maakt het lastig om onze spirituele plek te vinden. Het maakt ons radeloos tegenover de dood.

Wat hebben we dan nodig? Dogma, leer en moraal zullen ons niet onmiddellijk helpen. Wat dan wel? De moed om in ons heen en weer getrokken worden tussen donker en licht te vertrouwen op de kracht van onze intuïtie. Zoals Rik Torfs in zijn nieuwe boek ‘Kardinale deugden’ schrijft: ‘Levensbeschouwelijke verbeelding en religie scheppen ruimte.’ Het ontbreekt ons aan die verbeelding en die ruimte. Eeuwig leven overstijgt onze verwachtingen. Hebben we het er daarom zo moeilijk mee? Omdat het eeuwig leven ontsnapt aan onze controle?
Tekst: Johan Van der Vloet
Foto: Abstraktes Bild, Gerhard Richter

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here